Hunebedden in Duitsland

Joost Vermeulen en Rénie van der Putte fietsten onlangs op verzoek van Archeologie Magazine van Osnabrück naar Oldenburg op zoek naar een stukje van de ongelofelijke rijkdom van de ‘Duitse’ prehistorie.  Tekst en foto's: Joost Vermeulen en Rénie van der Putte

Ze dragen namen als: ‘De Duivelsteen’, ‘Stenen sleutel’ of ‘Het Gerechtshof’. Ze staan verscholen in diepe dennenbossen of ze rijzen als stenen bakens op in uitgestrekte heidevelden. Net over de Nederlandse grens, aan de andere kant van het Boertangerveen liggen op slingerende, oude zandruggen honderden prehistorische monumenten. Van simpele dolmen, twee staande stenen met één deksteen, tot immense langgerekte monumenten met wel twaalf paar draagstenen en vier enorme dekplaten.

Osnabrück: begin van de 'Radroute der Megalithkultur'

De stad waar de ‘Radroute der Megalithkultur’ begint - een ruim 350 kilometer tellende (fiets)route die in 8 dagetappes langs meer dan 70 prehistorische grafmonumenten voert –noemt zichzelf ‘Stadt des Friedens’. Dat heeft alles te maken met een voor de Europese geschiedenis belangrijke gebeurtenis die zich hier in 1648 afspeelde. Op de 30e januari van dat jaar werd in Osnabrück namelijk de Vrede van Westfalen gesloten. Een vredesakkoord dat een einde moest maken aan een reeks van gewapende conflicten die al decennialang heel Europa teisterden. In het gerestaureerde neogotische stadhuis van de stad is een kleine tentoonstelling ingericht over deze voor heel Europa zo belangrijke gebeurtenis. Pronkstuk vormt het originele einddocument waaronder ook de handtekeningen van de vertegenwoordiger van de koning van Spanje en die van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden prijken. Met de Vrede van Westfalen eindigde namelijk formeel ook de tachtigjarige oorlog tussen de Republiek en Spanje. Enkele maanden later (15 mei) werd het verdrag van Westfalen in Münster door beide partijen geratificeerd, waarmee aan de oorlog definitief een einde kwam.

De meeste toeristen die Osnabrück bezoeken komen voor de historische binnenstad met zijn fraaie marktplein en de middeleeuwse Sint-Petersdom. De geschiedenis van de stad gaat echter veel verder terug. Haar oorsprong lag op kleine verhoging langs de rivier de Hase. Deze verhoging maakt deel uit van een complex van oeroude zandruggen die in de laatste ijstijd zijn ontstaan. Op die zandruggen, de eindmorenen van de enorme gletsjers, die 200.000 jaar geleden grote delen van Noordwest-Europa bedekten, troffen de prehistorische bewoners van deze streek de enorme rotsblokken aan die ze nodig hadden voor de bouw van hun monumenten. Rondom Osnabrück zijn nog steeds talloze overblijfselen van de bouwwoede uit het Neolithicum te bewonderen; een tiental graven, een paar menhirs (losstaande stenen) en zekere een steencirkel. Dat is overigens nog maar een fractie van het aantal neolithische monumenten dat deze omgeving ooit telde. Ernst Sprockdorff vermeldt in zijn, in de jaren zestig van de vorige eeuw verschenen catalogus (‘Atlas der Megalithgräber Deutschlands’) voor de provincie Osnabruck zelfs 42 graven (de nummers 882-923 in zijn overzicht). Een deel daarvan is intussen echter niet meer zichtbaar of in zo’n slechte staat dat een bezoek eraan nauwelijks de moeite waard is.

Hunebedden

Een zo grote concentratie aan hunebedden (in de rest van het artikel gebruik ik verder deze term voor alle soorten neolithische graven) suggereert een relatief hoge bevolkingsdruk. Maar die bewoners hebben verder geen aanwijsbare sporen nagelaten. Of elk monument verbonden was met een bepaalde groep, of dat de verschillende hunebedden onderling met elkaar verbonden waren valt ook nauwelijks na te gaan. Het feit dat de hunebedden vaak in groepjes bij elkaar liggen suggereert dat er althans op beperkte schaal sprake is geweest van een verband.

Een nog niet zo lang geleden uitgevoerde studie naar de geologie van de omgeving van Osnabrück heeft aangetoond dat de meeste hunebedden en ook de andere megalithische monumenten op of langs de eindmorenen zijn gebouwd, dus vermoedelijk niet ver van de plekken waar men het benodigde bouwmateriaal had aangetroffen. De suggestie die soms wordt geopperd dat er over deze zandruggen ook een vorm van verbindingsweg heeft gelopen is nooit hard gemaakt. Alleen het hunebed dat het dichtst bij het centrum van de huidige stad ligt (de allereerste waar de Radtour der Megalithkultur langs komt) lijkt aan een oude verbindingsweg te hebben gelegen. Hoewel deze weg ook uit een latere periode zou kunnen stammen. Van alle hunebedden in de omgeving van Osnabrück passeert de Radtour der Megalithkultur er echter maar twee, de Duivelstenen en de Gretescher stenen. Vooral dit laatste complex heeft door zijn romantische ligging in de 18e en begin 19e eeuw kunstenaars geïnspireerd. Afbeeldingen ervan zijn onder andere te zien in het stadsmuseum van Osnabrück en in het archeologische museum van Meppen. 

Soorten grafmonumenten

Wat al direct opvalt bij deze eerste twee graven is dat, in tegenstelling tot in Nederland, waar al dergelijke prehistorische graven hunebedden heten, dat men in Duitsland een duidelijk onderscheid maakt tussen de verschillende verschijningsvormen. Zo onderscheidt men in Duitsland zeven verschillende soorten grafmonumenten.

(1) De gewone dolmen, waarbij er slechts sprake is van één grafkamer, vier orthostaten dragen de enkele deksteen.

(2) De uitgebreide dolmen, bestaande uit twee aan elkaar geschakelde gewone dolmen.

(3) Grote dolmen, een serie aaneengeschakelde grafkamers die steeds door één deksteen zijn bekleed.

(4) Ganggraven, dit type heeft meerdere aaneengeschakelde grafkamers en een centrale entree aan de zijkant.

(5) Het Emslander kamergraf, een langgerekt grafmonument met soms wel tien compartimenten. Het geheel wordt omgeven door een cirkel van staande stenen. Ook bij dit type is er een centrale ingang aan de zijkant. De naam Emslander grafkamer verraadt het al, dit is in de regio Emsland de meest voorkomende.

(6) In een beperkt aantal gevallen worden graven van het type 5 omgeven door een dubbele rij staande stenen. Het gaat dan altijd om grote complexen waarin er sprake is van meer dan tien kamers. Ten slotte kent men de Hunebedden

(7). Kenmerkend voor dit soort graven is dat het vaak uit meerdere kamers bestaande graf staat binnen een rechthoek van staande stenen. Archeologisch onderzoek en de schaarse grafgiften die in de verschillende types graven zijn gevonden doen de archeologen veronderstellen dat de gewone (1) en de uitgebreide dolmen (2) de eerste fase in de megalithische grafcultuur vertegenwoordigen.

Datering

De datering daarvan is ergens rond tussen 3500 en 3200 v.Chr. Ganggraven, kamergraven en hunebedden vormen volgens deze theorie een latere ontwikkeling. Tot wanneer er nog van dit soort megalithische grafmonumenten werden opgetrokken is niet zeker, maar men vermoedt dat de laatste uiterlijk rond 2000 v.Chr. werden gebouwd. Wel zijn bijna alle neolithische grafmonumenten in dit deel van Duitsland nog lang daarna in gebruik gebleven. In een aantal werden er crematieresten uit de bronstijd teruggevonden. En in één geval, het graf bij Ankum (nummer 9 op de Megalietenroute), werden waarschijnlijk zelfs tot in de 19e eeuw mensen begraven.

Werden sommige hunebedden dus lang hergebruikt, het merendeel is echter in de loop de eeuwen verdwenen. Vooral in de 19e eeuw zijn heel veel hunebedden gesloopt. Hoeveel er nu nog resteren staat in tegenstelling tot Nederland niet vast. De schattingen lopen uiteen van ruim 1000 – het aantal dat Ernst Sprockhoff in zijn atlas vermeldt - tot meer dan 1500. Dit verschil komt omdat Sprockhoff een monument pas in zijn lijst opnam wanneer de vorm van het monument door hem duidelijk te herkennen was. Daardoor zijn tientallen clusters stenen waarvan de meeste archeologen nu denken dat ze tot een grafmonument behoorden, niet in zijn verzameling opgenomen. En hij heeft sommige evidente graven ook gewoon over het hoofd gezien.

 

Overzichten

Hoewel er dus geen compleet overzicht van alle Duitse hunebedden bestaat zijn er voor verschillende Duitse regio’s wel min of meer complete lijsten met vindplaatsen beschikbaar, bijvoorbeeld van de regio Emsland (zie www.megalitica.be/megasite/emsland1b.htm). Het verspreidingsgebied van hunebedden zoals die langs de megalietenfietsroute worden aangetroffen omvat behalve Nederland en Duitsland ook Denemarken, Zuid-Zweden en Polen. Van de Deense hunebedden staan de meeste op het eiland Jutland. Een compleet overzicht betstaat voor zover mij bekend nog niet. Een redelijk overzicht is te vinden op de website: www.megalitica.be/megali/denemarken.html. Over Zuid-Zweden (in het noorden komen geen megalithische grafmonumenten voor) is met uitzondering van enkele recent onderzochte exemplaren weinig informatie. Om hoeveel graven het in Polen gaat is ook geen precieze informatie beschikbaar. 

Duivel

De megalietenfietsroute buigt vanaf de buitenwijk van Osnabrück in een wijde boog om de stad heen om vervolgens in noordwestelijk richting een oude zandrug te volgen in de richting van Meppen. Op dit deel van de route passeert men twee belangrijke concentraties van hunebedden: iets voorbij het dorp Ostercappeln (3a-d) en verderop bij Verthe (4b en 4c). Het monument 4a ligt iets van de route af in een dennenbos. Het is ook geen hunebed maar een losse grote rechtopstaande steen (een menhir) die vermoedelijk een religieuze functie had. Het pad daarheen is slecht aangegeven en dit monument is daardoor lastig te vinden. De hunebedden bij Verthe hadden een slechte naam, daar zou namelijk de duivel ‘s nachts huishouden. Vandaar de bijnaam ‘Teufels Backtrog en Teufels Backofen’. Dit fenomeen kom je tijdens de fietstocht vaker tegen. Zo komt de route nog langs de Düvelskuhlen (nr 15b bij Sögel, dit is één van de twee grafcomplexen van het type 7 die je tijdens de Megalietenroute tegenkomt) en de Teufelsteine (nr 21 bij Molbergen) Het hunebed nr 13 van de route (net buiten het plaatsje Apeldorn) draagt de bijnaam Der Steinerne Schlüssel. Volgens een legende zou hier de toegang tot de hel verborgen zijn. Nog voor Meppen, ter hoogte van het dorp Ankum, komt men een grote concentratie aan prehistorische monumenten tegen (nummers 9a-f). Niet alleen hunebedden, maar ook enkele menhirs en een paar grafheuvels. Die laatste stammen uit de bronstijd (rond 1500 v.Chr.). De laatste groep hunebedden voordat men de stad Meppen bereikt ligt bij Lingen. Meppen, dat niet ver van de Nederlandse grens ligt, is de centrumstad van de regio Emsland. Ook deze regio telt meer dan honderd hunebedden en nog vele andere megalithische monumenten. Een deel daarvan ligt op een zandrug die min of meer parallel loopt met de Nederlandse Hondsrug aan de andere kant van het Bargerveen. In het archeologische museum van Meppen is veel informatie te vinden over de prehistorie van dit gebied. 

Bruid en Bruidegom

Vanuit Meppen volgt de Megalietenfietsroute eerst de oostoever van de rivier de Nordradde. Pas nadat men deze stroom is overgestoken, komt men ter hoogte van het wat hoger gelegen plaatsje Staveren langs een volgende cluster van hunebedden (14af). Niet veel verderop bij Gross Berben ligt een van de grootste concentraties van hunebedden (16a-d en 17a-c), waarvan de laatste zich net aan de andere kant van een riviertje bevindt. Voorbij Werlte voert de route opnieuw door een lagergelegen deel, om dan in Cloppenburg aan te komen. Voorbij Cloppenburg in het Naturpark Wildeshauser Geest, een schitterend heidegebied ten oosten van het dorp Alhorn, liggen nog twee beroemde, door legendes omgeven hunebedden. Ze zouden gebouwd zijn voor een echtpaar dat in de huwelijksnacht was omgekomen. ‘Bruid’ en ‘Bruidegom’ liggen sindsdien elk in hun eigen stenen graf. De weg die de twee monumenten verbindt heet ook nu nog de ‘Bruidsweg’. De Radtour der Megalithenkultur eindigt na ruim 350 kilometer, 70 hunebedden en talloze andere megalithische monumenten in de middeleeuwse stad Oldenburg.