Het gebied waar de Varusslag zou hebben plaatsgevonden.

Romeinse catastrofe in beeld

Reinoud Schaatsbergen

Locatie van Varusslag (9 n.Chr.) steeds aannemelijker

Tekst en foto’s: Lou Lichtenberg

Na de verovering van Gallië in 57 v.Chr. onder leiding van Julius Caesar kwamen ook grote gebieden van de huidige Lage Landen en Duitsland in Romeinse handen. Hun pogingen de noordelijke rijksgrens tot aan de Elbe in Noord-Duitsland te verleggen werden plots wreed verstoord. In het jaar 9 na Christus lokten Germaanse stammen drie Romeinse legioenen in een hinderlaag, waarna ze werden afgemaakt. Deze catastrofe ging als de ‘Varusslag’, ook wel aangeduid als de ‘Slag in het Teutoburger Woud’ de geschiedenisboeken in. Inmiddels zijn er steeds meer aanwijzingen over de plaats waar die slag plaatsvond. En die plaats: Kalkriese, is inmiddels ook een prachtig museum en park rijk.

Het prachtige Osnabrückerland ligt eigenlijk toch maar op een steenworp afstand van de Nederlands-Duitse grens. Oké, je moet wel tot een worp van zo’n 80 km in staat zijn om de afstand te overbruggen, maar wat is dat nou in deze tijd waarin we steeds meer gewend raken aan reizen op grote afstanden.

Dat was in de Romeinse tijd toch wel even iets anders, maar ook toen wisten ze kennelijk toch vrij probleemloos grote afstanden te overbruggen. Hoewel probleemloos, daar wringt nu net de schoen die we voor dit bezoek aan deze landelijke omgeving hebben aangetrokken. Want hier zagen de Romeinen zo’n tweeduizend jaar geleden zich kennelijk wel voor een groot probleem geplaatst toen ze door Germaanse stammen in een hinderlaag waren gelokt. Of die problematische situatie zich hier inderdaad heeft afgespeeld was echter eeuwenlang ook een vraag die aanleiding gaf tot felle discussies. Eerst maar eens even stilstaan bij de feiten, voor zover die althans tot op heden bekend zijn vooral uit geschriften van Romeinse geschiedschrijvers, maar ook uit steeds meer archeologische vondsten.

Hinderlaag
We bevinden ons in het jaar 9 na Christus. Grote delen van Germanië zijn door Romeinse troepen bezet. Hun aanvoerder, Publius Quinctilius Varus, krijgt als stadhouder tevens het bevel over het Gallische grondgebied. Deze Varus, uit een gegoede familie afkomstig, is van zins de Germanen niet door het zwaard, maar door wetten te laten gehoorzamen. Hij introduceert al gauw allerlei nieuwe regels en probeert daarmee het Germaanse volk te knechten. Volgens de Grieks-Romeinse geschiedschrijver Casius Dio laten de Germanen dat echter niet zonder slag of stoot over zich heen komen. Vooral wanneer hij met het innen van belastingen begint slaat de vlam in de pan. Het gebied waar de Varusslag zou hebben plaatsgevonden.

Enkele Germaanse groepen weigeren zich nog langer te laten onderwerpen en gaan in verzet. Hun aanvoerder, de Cherusk Arminius – door de Romeinen aldus genoemd, maar bij de Germanen meer bekend als Herrmann –, bedenkt een samenzwering: we gaan de Romeinen in een val lokken. Drie Romeinse legioenen, het 17e, 18e en 19e, bestaande uit drie eenheden te paard en zes eenheden hulptroepen, in totaal zo´n 15-20.000 personen, worden terug marcherend naar hun winterkamp uitgedaagd een smalle weg te volgen tussen bos, moeras en door Germanen opgetrokken verdedigingswallen en -muren.

De weergoden zijn op de hand van de Germanen: hevige regenvallen en stormen treffen mens en dier en bemoeilijken de doorgang nog extra. Tussen de verschillende legeronderdelen vallen gaten en de soldaten raken in verwarring door nauwelijks hoorbare of tegengestelde bevelen. Als juist op dat moment Arminius de Germanen het bevel geeft tot de aanval is de chaos compleet en volgt een veldslag van ongekende grootte. Het tot dan toe geordende leger verbrokkelt, lijdt zware verliezen en kan zich nauwelijks hergroeperen in de strijd tegen een vijand die veelal in de minderheid is.

‘Paarden gleden uit in hun eigen bloed op glibberige moerasbodem. Eerst wierpen ze hun ruiters af, waarna ze alleen verder galoppeerden, dwars door alles heen en al hetgeen vertrappend dat op hun weg kwam’, aldus de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. ‘Nog niet eerder gehoorde geluiden, onzekere omstandigheden, niemand kon genoeg zien om te weten wat er stond te gebeuren. Daar waar geschreeuw gehoord werd, werd aangevallen.’

Volgens zijn jongere collega Cassius Dio werden de Romeinen die zich in deze chaotische toestand bevonden, aan alle kanten gelijktijdig door barbaren ingesloten. ‘Zij kenden alle sluipwegen en kwamen uit het dichte bos te voorschijn’. De pijlen, speren en zelfs de schilden van de Romeinen waren door het slechte weer drijfnat geworden en daardoor bijna niet meer te gebruiken. ‘De vijand was daarentegen grotendeels licht bewapend en kon zonder gevaar aanvallen en terugtrekken. Zij hadden duidelijk minder last van het slechte weer’. Het gevolg: in drie dagen tijd komen duizenden mensen om het leven of raken gewond. Toen keizer Augustus van deze zware nederlaag hoorde, zou hij zijn befaamde woorden: ‘Quinctilius Varus, geef mij mijn legioenen terug’ hebben geroepen. Hoe dat ook zij, volgens Tacitus zouden de overblijfselen van de drie legioenen zes jaar na de veldslag door een Romeinse landheer begraven zijn. En ook feit is dat de Romeinen zich al gauw uit het Germaanse grondgebied tot achter de Rijn hebben teruggetrokken.

Heldendaad
Deze veldslag kreeg in de loop der tijd steeds heldhaftiger trekjes, die zich vooral manifesteerden in sagen over een zegevierende afweer van Romeinse bezettingspogingen. Rond het jaar 1600 was het verhaal een mythe geworden. In kunst, literatuur, theater en politiek werd winnaar Arminius tot nationale held van het jaar 1900 verheven. De gebeurtenis werd eveneens op nogal gesimplificeerde wijze vormgegeven in een monumentale uitdrukking van de heldendaad, zoals in het toeristisch befaamde Hermannsdenkmal bij Detmold.

Eeuwenlang wordt er ook naar de exacte locatie van de Varusslag gezocht. Over mogelijke plaatsen: het Teutenburgerwald in Lippe of Kalkriese in het Osnabrücker Land werden zelfs rechtszaken uitgevochten. Reeds in de 19e eeuw vermoedde de oudheidkundige Theodor Mommsen evenwel op basis van muntvondsten nabij Kalkriese dat hier een Romeins-Germaans treffen had plaatsgevonden. Honderd jaar later, in 1987, werden ten noorden van de Kalkrieser Berg opnieuw munten gevonden uit de periode van het begin van het Romeinse keizerrijk. Toen daarbij bovendien door een Britse officier en tevens amateur- archeoloog drie loden slingerkogels werden aangetroffen – de eerste Romeinse wapens en daarmee een eerste aanwijzing voor de aanwezigheid van Romeinse soldaten in deze omgeving – werd de tijd rijp geacht voor grootschaliger archeologisch onderzoek.

In de herfst van 1989 werd daarmee begonnen op de plaats genaamd ‘Oberesch’ in Kalkriese, gelegen aan het smalste deel tussen de Kalkrieser Berg in het zuiden en het Grote Moeras in het noorden. Bovendien bevindt zich deze plaats in het midden van het gebied dat al eerder als het vermoedelijke oord van de veldslag was aangemerkt. Het onderzoek, dat nog steeds voortgaat, heeft inmiddels tot talrijke archeologische vondsten geleid. Die hebben het steeds aannemelijker gemaakt dat de Varusslag zich op deze vlakte van meer dan 50 km2 heeft voltrokken, maar zekerheid...

Onderzoeksresultaten
Dr. Susanne Wilbers-Rost, hoofd van de archeologische afdeling van het Museum Kalkriese, is reeds jarenlang bij het onderzoek betrokken en weet er ook op enthousiaste wijze over te verhalen. ‘De belangrijkste ontdekking tot dusver was een 400 meter lange wal die de Germanen bij hun overval als hinderlaag gebruikten. Aanvankelijk werd die wal voor een soort van omwalling van een Romeins kamp aangezien. Maar toen steeds meer militaire vondsten vóór de wal werden gedaan en slechts weinige daarachter ontdekt werden, werd het steeds meer duidelijk dat hier niet van een gesloten walstructuur sprake was, maar van een door de Germanen opgetrokken afgesneden stuk ‘graszoden’ muur van oorspronkelijk 1,5 m hoogte en 4-5 m breedte die als hinderlaag tegen Romeinse troepen diende. De slangvormige muur telde om de 15 m openingen en voorts bastionachtige vooruitgeschoven posten, van waaruit de Germanen konden aanvallen en door middel waarvan ze zich ook snel konden terugtrekken. Drainagekuilen aan de binnenzijde van de wal zorgden ervoor dat de wal bij hevige regenval niet overspoeld kon worden.

Verder werden bij die wal verschillende botten van mensen en dieren gevonden en uit de vele skeletten van muildieren kon afgeleid worden dat die dieren in de onmiddellijke nabijheid van de wal omgekomen waren en zeer snel door materiaal van de wal overdekt waren geworden.’ ‘Een grote verrassing was de vondst van een grote met botten gevulde kuil, vermoedelijk resten van gesneuvelde soldaten van de slag. De dode lichamen waren kennelijk niet meteen na hun de slag daar terecht gekomen, maar hadden enige tijd aan de oppervlakte gelegen. Ook uit zes andere knokenkuilen die vlak daarop werden ontdekt kon worden afgeleid dat ze onderdeel waren van een omvangrijke begrafenisactie.

Het lag voor de hand hierin de bevestiging te zien van hetgeen Tacitus meldde, namelijk dat Romeinse soldaten de doden hebben begraven bij het bezoek van Germanicus in 15 n.Chr. aan het slagveld. Nader onderzoek heeft dat intussen nog aannemelijker gemaakt. Deze plaats Oberesch heeft intussen circa 4000 Romeinse militaria en 300 munten aan het licht gebracht. Voorts werden topstukken zoals een helmmasker aangetroffen en andere grotere stukken zoals bijlen, lanspunten, schilden en resten van wapens. De meeste vondsten zijn echter klein of maar in fragmenten bewaard gebleven, waaronder spijkers, klinknagels, brokstukken van bronzen en zilveren voorwerpen. Maar duidelijk is wel dat ze onderdeel waren van een militaire uitrusting. In en rond de wal werden vele fragmenten opgegraven die tot de uitrusting van soldaten behoorden, waaronder sandalen, gordels, scheenbeschermers, maliënkolders en helmen. Objecten die minder vast aan het lichaam bevestigd zaten en die dus bij plunderingen door de Germanen gemakkelijker te vergaren waren zoals lansen, werpsperen, dolken en zwaarden, werden in geringere aantallen gevonden.’

‘Uit dit alles’, zo tekent Suzanne Wilbers-Rost nog aan, ‘is inmiddels duidelijk geworden dat we hier te maken hebben met opgravingen van een antiek slagveld. Onderzoek heeft inmiddels ook geleerd dat het belang daarvan verder reikt dan alleen dit slagveld. Dat belang onderstreept Romeins helmmasker dat bij de opgravingen in Oberesch werd gevonden.de noodzaak meer aandacht te schenken aan ‘slagveldarcheologie’ en haar methoden. Daarvan kan worden geleerd hoe toekomstig onderzoek naar dergelijke slagvelden opgezet en uitgevoerd dient te worden om zo optimaal mogelijk informatie uit de vaak schaarse aanwezige resten te destilleren. Zelfs ook om plaatsen waar andere antieke slagvelden worden vermoed beter te kunnen lokaliseren. En uiteindelijk ook te conserveren.’

Presentaties
De vondsten van Kalkriese zijn inmiddels grotendeels ondergebracht in een uiterst informatief en fraai modern vormgegeven museum, dat sinds 2002 ter plaatse het verhaal van de veldslag vertelt. Vanaf een 40m hoge toren bij het museum valt het slagveld te overzien. In het aangrenzende park kan de bezoeker de sporen van de Romeinen en Germanen volgen. De weg van de Romeinen over de open vlakte is aangelegd met 500 staalplaten; op 38 daarvan zijn teksten te lezen die de veldslag toelichten. IJzeren stangen geven in het park het verloop aan van de door de Germanen gebouwde wal nabij een bos.

Museum en park geven daardoor een levendige, eigentijdse presentatie van de catastrofe van weleer. Deze zal in 2009, dus twee millennia na dato, op grootschalige wijze in de permanente expositie te Kalkriese worden herdacht, maar ook in drie grootse tijdelijke tentoonstellingen. Deze zullen georganiseerd worden te Haltern am See (het bestuurs- en militaire centrum van de Romeinse provincie die hier op de rechter Rijnoever gepland was), te Detmold (de plaats waar zich sinds 1875 het Hermannsdenkmal bevindt) en te Kalkriese. In deze drie plaatsen zullen vooral de drie zwaartepunten in verband met deze Varusslag: imperium, conflict, mythe, worden toegelicht. Een huzarenstuk dat ongetwijfeld nog stevig van zich zal laten horen.

Dit artikel is eerder verschenen in Archeologie Magazine nummer 5 van 2007. Klik hier om dit nummer na te bestellen of klik hier om direct een abonnement te nemen en geen enkel nummer meer te missen.

Meer lezen

Tijdvakken

Landen