Hunebedden in Nederland

Prent van Johan picardtDe hunebedden zijn de bekendste archeologische monumenten in Nederland. Deze grafmonumenten behoren tot de trechterbekercultuur en zijn gebouwd door de Westgroep, een subgroep van deze cultuur die tussen 3.400 en 2.900 voor Christus in Nederland leefde. In ons land zijn er nog vierenvijftig hunebedden aanwezig, waarvan de meeste in Drenthe staan.

Het woord vindt zijn oorsprong in een beschrijving van Johan Picardt. Deze historicus en predikant kenmerkte de stenen grafmonumenten in 1660 als “steenhopen gebouwd door grouwsamen barbarische en wreede reusen, huynen, giganten.” Hij dacht dus dat ze door reuzen gebouwd waren. Picardt zelf noemde ze steenhopen, maar de term “Huynen” beklijfde en in 1685 gaf onderzoekster Titia Brongersma ze de naam “hunebed.”

De echte bouwers van de hunebedden zijn de gemeenschappen van de trechterbekercultuur. Wij kennen met name hun grafmonumenten. Resten van nederzettingen bestaan voornamelijk uit vondsten van vuursteen en aardewerk. Ze leveren zelden grondsporen op. Incidenteel is er onverbrand organisch materiaal aangetroffen.

Westgroep

Grootste hunebed in Nederland bij BorgerDe trechterbekercultuur besloeg de hele Noord-Europese laagvlakte. Hun invloedssfeer strekte zich in oostelijke richting uit tot Polen en de Oekraïne, in het noorden tot Zuid-Zweden en in het zuiden tot in Slowakije. Binnen dit gebied is een aantal regionale groepen te onderscheiden, waaronder de Westgroep, die met name voorkwam in Nederland en Noordwest-Duitsland. Vondsten van deze groep zijn in Nederland vooral gedaan boven de Rijn op de zandgronden en laagvlakten, maar ook langs de natte kustzone aan de Noordzee.

De Westgroep van de trechterbekercultuur is de eerste agrarische gemeenschap in Midden- en Noord-Nederland. Afgezien van de mogelijk semiagrarische, maar nog slecht bekende groepen van het midden-neolithicum. Naast de landbouw was binnen de Westgroep ook het jagen en verzamelen nog belangrijk.

Hunebedden

De hunebedden zijn gemaakt tussen circa 3.400 en 3.050 voor Christus. De bouw van een hunebed was een gemeenschappelijke onderneming, waaraan de bevolking uit een omvangrijk gebied deelnam. Vermoedelijk waren er meerdere leiders die voor planning en leiderschap zorgden.

De monumenten zijn gemaakt van zwerfkeien die tot wel veertig ton wegen. Deze gesteentes zijn in Nederland terecht gekomen tijdens de ijstijd. Met behulp van ronde boomstammen, touwen en ossen sleepte het volk de keien naar de plaats van bestemmingwaar ze het geraamte van de grafkelder vormden. Deze basis werd bedekt met zand en zoden, zodat er slechts een langwerpige heuvel (variërend van drieënhalf tot twintig meter) overbleef. Slechts één hunebed (D13 in Eext) is nog in zijn originele staat bedekt, maar geen enkele is er geheel intact.

Grafkelder van een hunebedEr bestaan nog vierenvijftig hunebedden in Nederland, waarvan tweeënvijftig in Drenthe en twee in Groningen. Oorspronkelijk zijn er tenminste achtentachtig geweest, maar vermoedelijk waren er wel meer dan honderd. Van vierendertig zijn er sporen teruggevonden, waarvan drie in Groningen, twee in Overijssel en één in Friesland. De grafmonumenten zijn genummerd: het Groningse G1 en G2 en de Drentse D1 t/m D54 (D33 is ontmanteld en D48 bleek geen hunebed te zijn).

Vondsten

Door de zure zandbodems zijn er geen menselijke resten gevonden in de grafkelders van de hunebedden. Er is bekend dat de doden onverbrand werden bijgezet, maar men weet niet of de lichamen direct na hun dood werden bijgezet of dat het als ‘knekelhuis’ diende voor de beenderen, zoals elders wel is vastgesteld. Vermoedelijk werd er om de twee tot tien jaar één dode bijgezet.

De doden kregen grafgiften mee. Eén dode kreeg één tot vijf potten mee, waar vermoedelijk proviand in zat. Verder werden er strijdhamers, bijlen, vuurstenen pijlpunten, sieraden van barnsteen, koper git en andere bijzondere stenen meegegeven. Zowel mannen als vrouwen werden bijgezet met hun lijfsieraden. Mannen kregen ook wel hun wapens en jachtgerei mee. Ook werden er bij de ingang regelmatig potten met spijs en drank gedeponeerd.

Vlakgraven

De trechterbekergemeenschappen kenden uiteenlopende begravingswijzen voor hun doden. Behalve grafkelders of hunebedden begroeven zij hun doden in stenen kisten of vlakgraven. In deze individuele graven liet men dezelfde grafgiften achter als in de hunebedden. Aan het begin worden de doden onverbrand begraven, gestrekt en later in hurkhouding. Later worden zij ook gecremeerd en worden de resten in urnen begraven. Het is onbekend waarom zij naast de hunebedden gebruik maakten van individuele graven.

Aardewerk

Voorbeeld van een trechterbeker

Aardewerk is de belangrijkste informatiebron over de trechterbekercultuur. Bij de hunebedden zijn duizenden aardewerkscherven aangetroffen, deze dienden als bijgiften. Kenmerkende vormen van dit aardewerk zijn kraagflesjes, trechterbekers, kruiken, terrines, amforen, randkommen, emmers, kommen en schalen. Deze werden versierd met de ‘diepsteekversiering’: in het gepolijste oppervlak zijn de motieven diep ingegraveerd met een (schuin gehouden) staafje van been of hout. De vorm en soort versieringen veranderde in de loop der tijd.

Na het bakken werden de gravures opgevuld met een mengsel van vet en verbrand been. Bij de zeldzame gevallen dat dit bewaard is gebleven, had het een geelwitte kleur, maar waarschijnlijk zijn er ook andere kleuren toegepast. In de nederzettingen werd het aardewerk minder vaak versierd. Hier kwamen ook robuustere vormen van aardewerk voor, waaronder voorraadvaten met mogelijk deksels.

Artefacten

Naast aardewerk zijn er veel artefacten van vuursteen (van hoge kwaliteit) en andere steensoorten aangetroffen. De Westgroep gebruikte vuurstenenbijlen met rechthoekige doorsnee voor de boskap en huizenbouw. Andere soorten vuurstenen werktuigen van de trechterbekercultuur zijn kleine bijlen, transversaalspitsen, schrabbers, bikkels, geretoucheerde afslagen en klingetjes.

Knophamerbijlen en andere strijdhamers werden bij voorkeur uit diabaas vervaardigd. Handvaten werden van hout gemaakt. Voor maalstenen werden meestal zwerfstenen van graniet gebruikt, welke een schaalvorm hadden.

Sieraden

Bij de hunebedden zijn kralen van barnsteen aangetroffen, deze werden hier als bijgiften achtergelaten. Met name bij hunebed D26 (Drouwenerveld) zijn veel sieraden terug gevonden, waaronder tientallen barnstenen kralen, barnstenen hangertjes en kralen en hangers van kwarts, git of van ammonieten. Vermoedelijk werden er ook kralen uit dierentanden en ander organisch materiaal vervaardigd, welke in de loop der tijd zijn vergaan. Ook zijn er in verschillende hunebedden van de Westgroep schijfjes, kralen, stripjes en buisjes van bladkoper aangetroffen. Deze maakten waarschijnlijk deel uit van halskettingen of waren op kleding bevestigd.

Veenoffers

De trechterbekermensen brachten ook offers in venen en andere natte gebieden. Zij offerden mooi versierde aardewerken potten met voedsel en drank erin. Er zijn potten aangetroffen met bijvoorbeeld resten van hert of snoek. Ook zijn er in Nederland twintig deposities bekend van één of meerdere uit vuursteen vervaardigde grote bijlen en beitels, in verschillende stadia van bewerking. Dit type vuursteen werd uit Noord-Duitsland en Denemarken geïmporteerd en moest dus heel kostbaar geweest zijn. Ongetwijfeld zijn de meeste offers bij de veenontginningen onopgemerkt verloren gegaan.

Bronnen: Nederland in de prehistorie (2005), L.P. Louwe Kooijmans et al., p. 281-305 & Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe (heruitgave 2008). Johan Picardt.& www.hunebedden.nl

Meer weten over archeologie? Lees Archeologie Magazine.