De toren en het vuur | De Romeinse vuurtoren van La Coruña (Spanje)

MOZAÏEK

 

De havenstad La Coruña in NW-Spanje is het dubbel en dwars waard om eens aan te doen en dat niet alleen vanwege de aanstekelijk gezellige sfeer die heerst op de kaden, op de terrasjes en in de restaurants. Een andere belangrijke reden is de vuurtoren, de Torre de Hercules, gebouwd in de tweede eeuw nC, die nog steeds elke nacht knipogend zijn licht laat schijnen.

In de Romeinse periode was Brigantium, zoals La Coruña toen heette, een belangrijke handelshaven. Het in NW-Spanje gedolven tin, zilver en goud werd o.a. via deze haven verscheept. De vuurtoren moest de schippers 's nachts helpen bij hun navigatie. Vanwege de vondst van een Latijnse inscriptie vlakbij de vuurtoren, waarin een zekere Gaius Sevius Lupus uit Aeminium (het moderne Coimbra in Portugal) architectus wordt genoemd, veronderstelt men tegenwoordig dat hij de architect van de vuurtoren was. Zeker is het niet. Wie de Romeinse vuurtoren ook heeft gebouwd, hij maakte een grandioze granieten toren, waarvan de kern na 1800 jaar nog steeds te bewonderen is.

Ezels met brandhout in de vuurtoren

De vuurtoren werd hoofdzakelijk gebouwd met blokken van grauwbruin en roodachtig graniet afkomstig uit steengroeven in de omgeving. Zoals nu te reconstrueren is, bestond de vuurtoren waarschijnlijk uit een vierkante (ruim 10 x 10 meter), ruim 30 meter hoge kern, waaromheen een buitenmuur werd gebouwd. Tussen de kern en de buitenmuur zou zich een opgang naar boven wentelen. Ezels, bepakt met brandstof voor het vuur, konden op deze wijze gemakkelijk bij nacht en ontij naar boven sjokken. De kern bestaat uit een begane grond en twee verdiepingen waarvan alle hoge ruimten – steeds vier per verdieping – voorzien zijn van een stenen gewelf. In sommige ruimten werden vensters aangebracht, waarvan enkele nog steeds dienst doen.

De oudste vermelding van de vuurtoren van Brigantium is die van de christelijke geschiedschrijver Orosius die in zijn werk (eind vierde - begin vijfde eeuw) schreef over de "altissimum farum" ofwel de "zeer hoge vuurtoren".

Een 'faro' in 'Gallecia'

Na de Romeinse overheersing verloor de toren zijn functie als vuurtoren, maar hij bleef, zeker in de middeleeuwen, een gewild bezit vanwege zijn gunstige ligging (uitkijk!) en zijn solide bouw, waardoor de toren dienst kon doen als tijdelijke vesting. Eigenaren wisselden elkaar veelvuldig af. De eerste afbeelding van de toren is te vinden op een kaart uit 1086. Het gaat om een elfde-eeuwse kopie van de 'wereldkaart' die hoort bij het commentaar op de Openbaring van Johannes dat de Spaanse monnik Beatus van Liébana in de achtste eeuw schreef. De "faro" lag in "Gallecia" en werd afgebeeld als een groene toren met een okergele koepel.

Gedurende al deze eeuwen was de buitenmuur het eerste slachtoffer van weer en wind. Ook mensenhanden deden hun slopend werk. Zo erg zelfs, dat deze buitenmuur totaal verdween. De kern bleef staan met een merkwaardige, spiraalsgewijs naar boven lopende groeve, die veroorzaakt werd door de uitgevallen vloerplaten van de opgang.

Toren op een doodshoofd

In de zestiende eeuw werd de stad La Coruña de nieuwe en laatste eigenaresse van de toren. In het stadswapen beeldde men de toren af, staand op een doodshoofd. De overlevering wil nl. dat Hercules, dé bodybuilder van de oudheid, de toren bouwde op de schedel van Geryon. De reus Geryon leefde ergens in het westen en had een kudde runderen waarvan Hercules zich meester maakte. Bij de schermutselingen tijdens deze roof doodde Hercules Geryon. In het stadswapen zijn ook schelpen te zien. Deze schelpen refereren natuurlijk aan de zee, maar de Jacobsschelpen zijn vooral ook een verwijzing naar het nabij gelegen en in de middeleeuwen zo populaire bedevaartsoord Santiago de Compostela, waar de apostel Jacobus begraven zou liggen.

In 1682 deed men een eerste poging de toren zijn eigenlijke functie terug te geven. Dit werd mede gefinancierd door de consuls van Holland en Vlaanderen die – met het oog op hun handelsvloot – belang hadden bij kustverlichting in deze contreien.

Herstel van de toren

Slechts kort bleef de vuurtoren dienst doen en pas een eeuw later, in 1791, kreeg architect Estaquio Giannini opdracht de toren opnieuw te herstellen. Hij bemantelde de overgebleven Romeinse kern met granieten platen, waarop hij met een decoratieve band duidelijk aangaf waar zich het litteken van de oude opgang bevond. De toren werd tevens bekroond met een nieuwe ruimte van waaruit het licht naar buiten kon schijnen. Giannini heeft op deze wijze niet alleen de oudste resten van een Romeinse vuurtoren voor ons bewaard, hij heeft tevens één van de mooiste vuurtorens gecreëerd!

 En wat is voor een archeoloog nu een passender souvenir uit La Coruña dan een Romeinse-vuurtoren-vaas!

 

Annet van Wiechen

beeld & tekst © conens & van wiechen

www.OudWeb.nl

 

Meer lezen