stijn heeren

Stijn Heeren

Stijn Heeren

Van Vondst tot Vitrine, met Stijn Heeren

Krijn Boom

Mensen verzamelen graag. Dat blijkt niet alleen door het feit dat we dat met al duizenden jaren doen, maar ook door de enorme hoeveelheid en verscheidenheid van voorwerpen die verzameld worden.

Gesterkt door de opkomst van de consumentenmarkt, de welfaart, en de focus op het individu is verzamelen geworden tot een bekend- en erkend- fenomeen. Bijna iedereen verzamelt wel iets: van postzegels tot voetbalplaatjes, van Pokémon tot fietsbellen. Grote multinationals zoals Coca-Cola en Starbucks springen hier graag op in, denk maar aan de ‘limited edition’ blikjes, en de koffiebekers met afbeeldingen van bepaalde steden: spaar ze allemaal! Nu hoef je niet altijd te betalen om te sparen – heel veel mensen verzamelen dingen die ze vinden in, of op de grond. Gewoon zomaar, tijdens het wandelen of de hond uitlaten. Anderen krijgen verzamelingen doorgespeeld van iemand anders - denk maar aan die oude verzameling munten van opa – en besluit deze verder uit te breiden (of te verkopen). Waarom mensen een verzameling bodemvondsten starten, uitbreiden, wegdoen of verkopen is heel persoonlijk. Waar de een schat ziet, ziet de ander rommel. Heel vaak, echter, hangt hier een leuke en interessante verhalen aan vast.

Deze serie blogs, getiteld ‘Van Vondst tot Vitrine’, bestaat uit korte interviews met mensen die deze verhalen graag met jullie wil delen. Ze illustreren het brede spectrum van bodemvondsten – van archeologisch en paleontologisch materiaal, tot hedendaagse vondsten – en beschrijven wat verzamelen met mensen doet - zowel op persoonlijk als professioneel vlak. Deze week: Stijn Heeren

Het interview

Omdat Stijn zo’n belangrijke speler is op het gebied van amateurarcheologie en metaaldetectie stond hij al vrij lang op mijn ‘lijstje van mensen die ik graag wil spreken’. Op goed geluk (we hadden elkaar nog niet eerder ontmoet) heb ik hem gemaild, de kaders van het onderzoeksproject uitgelegd, en de vraag gesteld of hij een interview wilde doen.

Ik heb met hem afgesproken in zijn kantoor aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Rond een uur of 13.00 loop ik het gebouw binnen, en komt Stijn me ophalen zodat ik niet door het gebouw hoef te dwalen (mijn eerste keer binnen). Eenmaal in zijn kantoor, hoog in het gebouw, gaan we van start met het interview.

Dag Stijn, goedemiddag. Leuk dat je me wilt spreken! Zou je als eerste wat over jezelf kunnen vertellen?

Jazeker. Ik ben Stijn Heeren, onderzoeker en docent aan de VU Amsterdam. Altijd al een VU-er geweest ook trouwens, waarmee ik bedoel dat ik hier gestudeerd heb. Na mijn studie was ik even commercieel verldarcheoloog Daarna terug de academische wereld in om te promoveren, gevolgd door een Post-Doc positie. Diverse aanvragen gedaan die zijn gehonoreerd en zelfs even in Gent geweest als gastprof, maar nu weer terug hier, voor het PAN-project. Ik ben eigenlijk opgeleid als Romeins archeoloog, en ben ook met name gemotiveerd door de Romeinse tijd, maar ook wel de vroege middeleeuwen. Gaandeweg, en zeker ook door het PAN-project, heb ik meer interesse gekregen in de prehistorie.

Kan je me vertellen wat de aanleiding is geweest om het PAN-project te starten?

De aanloop hiervan is eigenlijk vrij lang geweest, eigenlijk al sinds dat ik in mijn studietijd zelf zocht met een metaaldetector. Toen ik ondekte dat dat niet mocht heb ik het toch maar afgezworen, want ja, als professional kan je niet tegen de regels ingaan natuurlijk. Maar, ik heb zo wel gerealiseerd wat voor belangrijke datasets daar liggen. Daarna was het een samenloop van omstandigheden: de erfgoedwet ging veranderen, en er waren wat subsidiemogelijkheden. Toen dacht ik van ja, die ‘infrastructuur groot’, die kunnen we binnenhalen, en de dataset van detectorzoekers die nu dan feitelijk legaal is wil ik gaan gebruiken voor onderzoek. Echt om een nieuwe bron van informatie aan te boren. Ik was er dus al vroeg mee bezig, met metaaldetectie, zelfs in 2002 al met wat studiegenoten een artikel gepubliceerd over hoe Nederland het Engelse model zou moeten volgen. Nouja, dat is dan bijna 20 jaar later gerealiseerd.

Ik dacht dat je in 2016 ook al mocht zoeken, of heb ik dat mis?

Dat hangt van je intentie af. Als je voor 2016 een metaaldetector pakte om je trouwring terug te vinden, dan mocht dat wel. Maar als het je intentie was om oudheden te bergen, dan mocht dat niet. Op het oppervlak iets zien en oprapen mocht wel, schep in de grond steken om het op te graven, archeologisch graven dus, dat was gewoon bij wet verboden voor individuen.

Hoe zit dat nu dan?

Nu is de bovenste 30 centimeter vrij gesteld. Dus in principe is er nog steeds een ban op archeologisch graven, daar moet je een gecertificeerde instelling voor zijn. Maar de bovenste 30 centimeter is vrijgesteld voor eenieder, met de uitzondering dat het niet om een archeologisch monument mag gaan, niet om een lopende opgraving, dat de grondeigenaar toestemming heeft gegeven, en dat de gemeente het niet verbied. Daarnaast heb je als zoeker een meldingsplicht. Eigenlijk moet iedere zoeker zichzelf beschouwen als een soort privé-conservator, als je iets vindt moet je er ook zorg voor dragen. Bovendien moet je, als je een schatvondst doet, de helft van de opbrengst delen met de grondeigenaar, dat is vastgelegd in het burgerlijk wetboek.

Ok, duidelijk. We gaan even van onderwerp wisselen, want een van de dingen waar ik het graag over wil hebben voordat onze tijd alweer om is, is het PAN-project. Kun je me uitleggen wat dat precies inhoudt?

Het PAN-project is opgericht om prive-collecties van archeologisch interessante onderwerpen te documenteren. Ons doel is eigenlijk om collecties te redden. De metaaldetector is in de jaren ‘70 van de vorige eeuw breed op de markt beschikbaar gekomen. Al die collecties die zijn ontstaan, zijn vaak niet gedocumenteerd. Incidenteel is er wel eens een vondst gemeld, als er goed contact was tussen archeoloog en zoeker. Maar over het algemeen was er wantrouwen en werden de collecties gewoon genegeerd. Het gaat echt om tienduizenden, zo niet honderdduizenden object. We zitten op dit moment, na 3 jaar inventariseren, op zo’n 66.000 vondsten, en we zijn nog lang niet klaar. Maar de objecten zelf zijn niet het belangrijkste, wel de locatie waar ze gevonden werden. Wij vragen aan de zoeker de exacte locatie om in onze database kunnen bewaren. En dat is veel werk, want sommige zoekers hebben niet een, maar wel zestig zoekveldjes. Vervolgens zijn die locaties en gegevens vrij beschikbaar voor onderzoekers. Ik controleer natuurlijk wel of mensen dan ook daadwerkelijk onderzoeker zijn. Als je genoegen neemt met de locatie op gemeenteniveau mag iedereen dat bekijken. Verder is de opzet van het project is dat we in vier jaar tijd, met behulp van de NWO subsidie, de backlog doen van al die collecties, dat allemaal documenteren. Daarna zal het project doorgang vinden aan de VU.

Je hebt het over staf, maar de website is juist bedoeld dat mensen zelf hun vondsten kunnen doen toch?

Zeker, je moet gewoon wat veldjes invullen en een foto uploaden. De staf is er omdat we graag een contactmoment maken met de zoekers. Dat heeft met name met vertrouwelijkheid te maken, bijvoorbeeld dat wij kunnen inschatten dat er geen nepmeldingen worden gedaan, en benadrukken dat mensen de exacte locatie delen. Er is dus altijd minimaal een contactmoment tussen een vinder en een zogenoemde registrator – daar hebben we er nu negen van, verdeeld over het land. Daarna mogen de vinders alles zelf invoeren. Bovendien geven we ook cursussen, fotografie bijvoorbeeld, of workshops over hoe het systeem werkt. In de komende jaren zal daar ook de nadruk op komen te liggen, het begeleiden van mensen, want we doen nu voornamelijk zelf de ‘achterstallige’ gegevens invoeren en verwerken, maar we hopen dat in de komende jaren steeds meer mensen zelf hun vondsten gaan invoeren. Een van de dingen die we hebben gemaakt om die drempel wat te verlagen is een app, die zal binnenkort uitkomen. Vanaf dat moment kun je dus vanaf je telefoon vondsten documenteren, op basis van de GPS gegevens. Maar, ook daarvoor geldt dat we mensen eerst persoonlijk willen spreken.

Wordt er dan ook nog achteraf door jullie gecontroleerd?

Jazeker. Als iemand iets meldt, dan staat het in de achtergrond in de database, maar dan is ‘ie nog niet zichtbaar op de website. Op het moment dat wij hem determineren staat ie nog steeds in de achtergrond klaar. Pas op het moment dat ik de vondst gevalideerd heb, dan komt het online te staan met een PAN-nummer. Vanaf dan is de vondst zichtbaar voor iedereen en zeggen wij feitelijk dat er geen indicaties van valsheid zijn. Dat proces gaat vrij langzaam, mede doordat we werken met referentietypen; we zijn nu een hele boom aan het maken met referentietypen, en daar gaat veel tijd in zitten.

Jullie vormen dus echt een sleutelrol in het geheel als ik het zo begrijp, en werken dus met veel verschillende belangen en interesses. Hoe gaat dat dan?

Klopt. We hebben een heel groot netwerk. Voor wat betreft het valideren van de vondsten maken we daar ook echt wel gebruik van. We hebben een paar specialisten in eigen dienst, maar er zijn natuurlijk ook heel veel zoekers die veel zelf weten. We hebben een zoeker die weet echt werkelijk alles over sleutels, meer dan wij archeologen bij elkaar weten. Dus die heeft meegeschreven aan de referentietype sleutels. Iedereen mag kennis bijdragen, graag zelfs. We vragen veel dingen aan elkaar, zo van ‘heb jij hier literatuur voor?’, of ‘ben je het eens met deze datering?’ en hebben ook veel contacten en goede verstandhoudingen met verenigingen. Breed genomen, vanuit de zoekerswereld, hebben van van de ene kant heel veel krediet omdat we in ieder geval voor een groot deel de haat en nijd tussen archeologen en zoekers hebben opgelost. We worden dus positief bezien, maar kritisch gevolgd. Laatst deed ik bijvoorbeeld een oproep voor vrijwilligerregistratoren, want we hebben hulp nodig naast onze professionals. Toen dacht men dat ik dan ook direct de database zou opengooien voor die vrijwilligerregistratoren, wat natuurlijk niet zo is. Maar de kritiek, die was niet van de lucht. We worden dus goed in de gaten gehouden. Werken met vrijwilligers en niet-professionals vereist toch een bepaalde voorzichtigheid, maar het is een onderdeel van ons doel: wetenschappelijk werken, maar wel met vrijwilligers en verschillende groepen samen. Aan de andere kant zijn er ook archeologen die vragen stellen bij het feit dat we bepaalde locaties geheim houden. Dat doen we om medewerking van de zoekers te waarborgen. Kijk, een locatie die al elders bekend was, die mag je publiceren, bijvoorbeeld als die al in Archis staat, of een andere archeoloog er 30 jaar geleden al over schreef, maar als een locatie alleen in PAN komt, met alleen een melding van een zoeker, dan ben je niet vrij om die te publiceren. Daar zijn met name beleidsarcheologen niet blij mee. Maar over het algemeen worden we gematigd positief gezien. Ook door musea bijvoorbeeld, want zij verwerven soms objecten van zoekers, soms met en soms zonder onze tussenkomst, en dat kunnen we ook weer inventariseren. Dus, verschillende stakeholders, en de belangen komen niet altijd overeen, maar voorlopig hebben we geen stakeholders die ons definitief hebben laten vallen [lacht]!

Ik hoorde dat jullie een maand of twee geleden ook een folder hebben verspreid onder jullie contacten. Waarom is dat?

Nou, eigenlijk heel simpel: de regels waren slecht bekend. Zoekers wisten eigenlijk niet waar ze aan toe waren en archeologen bleken het ook heel vaak niet te weten. Zelfs ik wist bepaalde dingen nog niet, voornamelijk over eigendomsrecht. Dus we kunnen rustig concluderen dat de regels als bekend werden verondersteld, maar dat absoluut niet waren. Dus hebben we een folder gemaakt om de zoeker positief te benaderen, geen vingertje heffen, maar uitleggen wat je moet doen als je zoekt en iets vindt. Dat je je zou op moeten stellen als museumconservator om de informatiewaarde te behouden. Daar zijn er duizenden van gedrukt en verspreid door allerlei verenigingen en hun achterban. Maar toch blijft het lastig om iedereen te bereiken. Niemand weet hoeveel zoekers er precies zijn. Voorzichtige schattingen gaan uit van 2.500 zoekers, maar er zijn ook schattingen die uitgaan van 9000 zoekers. Tot een paar jaar terug waren er meen ik 40.000 detectors verkocht in de loop van 10 jaar. Natuurlijk zijn er mensen die ‘m in de schuur hebben staan, of er meerdere bezitten, maar als je denkt van 40.000 detectors, dan ga je al snel richting de 20.000 zoekers denken, waarschijnlijk te hoog hoor, maar dat kan wel. Probeer die maar eens te bereiken. Communicatie is dus erg belangrijk, voornamelijk hoe je communiceert. Wij hebben een website en publiceren in de Detectoramateur en de Coinhunter magazine, dus met die leden komen we in ieder geval in aanraking. De folders waar ik het net over had worden meegegeven bij nieuw gekochte detectors, dus die heb je ook al te pakken. Maar er is een grote groep oudere mensen, voornamelijk mannen [lacht], die in de jaren ’70 en ’80 zijn begonnen en misschien niet eens internet hebben. Bodemvondstendagen werken goed, maar zijn ook beperkt. Op dit moment hebben we zo’n 730 zoekers in de database staan, dus we kunnen wat dat betreft nog een hele wereld winnen.

Image

Verspreidingskaart Archeologie Nederland

Onderschrift

"Met een verspreidingskaart mooie patronen vinden, dat vind ik fantastisch"

We gaan even ietsje persoonlijker. Waarom is archeologie voor jou zo belangrijk? En, in die lijn, dit project?

Voor mij is dat de binding met mijn eigen verleden. Alhoewel ik natuurlijk weet dat het niet mijn biologische voorouders zijn, maar ik heb wel het idee dat ik met mijn familie en mijn identiteit bezig ben. Het onderzoeken van Nederland en de regio waar ik vandaan kom, dat is voor mij wel belangrijk. Het is de binding denk ik, met je stad of regio, Brabant in mijn geval. Regio’s die daar aan grenzen zijn nog steeds relevant, maar wat er gebeurde in Zuid-Amerika, of het oude Griekenland, geeft me niet zo’n kick als de Nederlandse archeologie. Dat is dan meer academisch. Hieraan vast hangt voor mij het idee dat je iets kunt toevoegen aan de kennis over die regio, de geschiedenis. Dat is wat ik zoekers ook voorhoud. Er is nog zoveel niet bekend, er zijn enorme witte vlekken in onze kennis. Als je ouder gaat dan de late middeleeuwen staat het meeste niet op papier, dat moeten we halen uit de archeologie. Die vondsten hebben we dus echt nodig. Gelukkig delen vele zoekers dat sentiment. Sommige zoekers zeggen wel dat ze zoeken om even het huis uit te zijn, of voor de spanning van het stukje geschiedenis vasthouden, en dat snap ik heel goed. Maar de meeste vinden het bijvoorbeeld fantastisch dat er een archeoloog langskomt die foto’s van hun vondsten willen maken, dat online te zetten, en te delen. Ze blijven eigenaar, maar samen kennis bouwen vinden ze mooi. Voor mijzelf, professioneel gezien, wil ik gewoon datasets bouwen en daar onderzoek op doen, met een verspreidingskaart mooie patronen vinden, dat vind ik fantastisch.

Als laatste: zoek je zelf eigenlijk nog, en zou je het anderen aanraden?

Nee, ik zoek zelf niet meer. Dat zou ik ook niet ethisch vinden. Ik heb zelf ook geen collectie bodemvondsten, alleen nog wat koninkrijksmunten uit mijn jeugd. Wilhelmina dubbeltjes enzo. Of ik mensen zou aanraden om het te doen? Da’s een lastige vraag [lacht]. Ik denk... ja, nee, ik zou niet zeggen van ‘zoek je nog een hobby, ga dan met een detector zoeken’. Ik denk het niet, daar ligt een beetje een spanningsveld merk ik, maar dat maakt het juist zo interessant [lacht].

Over de geïnterviewde

Stijn is archeoloog en coördinator van PAN (Portable Antiquities of the Netherlands) dat als doel heeft om ‘oudheidkundige vondsten in privé-bezit, met name metaalvondsten gevonden met behulp van een metaaldetector, te documenteren en online te publiceren’. PAN is een belangrijke entiteit in de wereld van verzamelaars van archeologische artefacten in Nederland; als coördinator heeft Stijn dan ook veel te maken met verzamelaars, ‘piepers’ en allerlei andere stakeholders zoals de RCE en de Nederlandse Bank. Hiernaast is Stijn ook universitair docent aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Deze serie blogs is geschreven in het kader van het VICI-onderzoeksproject van David Fontijn genaamd ‘Economies of Destruction’, en werd gefinancieerd door het fonds voor Nederlands Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Deze interviews zijn ingekort ten opzichte van de originelen; de volledige versies zijn in full verbatim terug te vinden in de database van xxx. Tevens is elk interview ook opgenomen met behulp van een voicerecorder. Alle interviews zijn in overleg met de geïnterviewde gepubliceerd.

Meer lezen

Ook leuk om te lezen