Binnendieze ’s-Hertogenbosch

Geschiedenis van ’s-Hertogenbosch

Lou Lichtenberg
Binnendieze ’s-Hertogenbosch

Men veronderstelt dat waar de riviertjes de Dommel en de Aa samenvloeiden zich ooit een (moeras)bos bevond dat als jachtgebied toebehoorde aan Godfried I van Brabant, de eerste hertog van Brabant. Vandaar de naam ‘des Hertogen bosch’. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat hier inderdaad een groot eikenbos moet zijn geweest.

Tussen 1185 en 1196 ontstond op deze plek een handelsnederzetting die al enkele decennia na de vorming ervan stadsrechten en bijbehorende handelsprivileges ontving uit handen van hertog Hendrik I (de zoon van Godfired). Al snel werden er stadsmuren opgetrokken, later aangevuld met aarden wallen en bastions.’s-Hertogenbosch was de meest noordelijke stad van Brabant, de vestingwerken dienden als bescherming tegen het opdringerige Gelre en waren een uitvalsbasis voor aanvallen op Holland.

Eerste omwalling
De eerste vestingmuur omwalde een gebied dat niet veel groter was dan de directe omgeving van de markt. Den Bosch werd na Leuven, Brussel en Antwerpen de vierde stad van het hertogdom Brabant en was het bestuurscentrum van de meierij, grofweg het oostelijke deel van de huidige provincie Noord-Brabant. De stad groeide door handel en nijverheid zo snel dat al vanaf 1318 een tweede, veel ruimere, omwalling langs nieuw gegraven lopen van de Aa en de Dommel gebouwd werd. Hiermee werd in grote lijnen het huidige centrum gecreëerd. Daartoe moest het gehele nieuwe stadsgebied worden opgehoogd om het te beschermen tegen overstromingen. Allerlei natuurlijke stroompjes van de Dieze, zoals de Dommelstroom ter hoogte van 's-Hertogenbosch toen genoemd werd, kwamen zo voorgoed binnen de stadsmuren.

Binnendieze overkluisd
In de loop van de tijd raakte deze ‘Binnendieze’ gedeeltelijk overkluisd doordat er huizen en andere gebouwen over heen werden gebouwd. Het resultaat was een uniek stelsel van ondergrondse waterstromen. ’s-Hertogenbosch behield zijn middeleeuwse structuur gedurende de navolgende woelige eeuwen. De stad vormde een belangrijk steunpunt in de strijd tegen Gelre en kende een bloeiend economisch en cultureel leven. De laatgotische Sint-Janskathedraal, het classicistische stadhuis en honderden andere monumenten herinneren hier nog aan.

Tachtigjarige oorlog
In de zestiende eeuw raakte de stad betrokken in de Tachtigjarige Oorlog, wat onder meer leidde tot een hevig gevecht tussen protestanten en katholieken op de Markt en tot twee onsuccesvolle belegeringen door prins Maurits. Met geld van de buitgemaakte zilvervloot zette Maurits’ broer, Frederik Hendrik, in 1629 nogmaals de aanval in. Met ruim 30.000 man sloeg hij beleg om de stad, hij verlegde de lopen van zowel de Aa als de Dommel, wierp langs de nieuwe beddingen een verschanste dubbele ringdijk op en legde de zo ontstane polder met honderden paardenmolens droog (met steun van Jan Adriaanszoon Leeghwater). Na ruim drie maanden beleg zag de stad zich gedwongen te capituleren. De stad bevond zich nu in de bezettingszone die bekend stond als de ‘Generaliteitslanden’ en er brak een periode aan van betrekkelijk milde onderdrukking, vooral gekenmerkt door het nagenoeg ontbreken van godsdienstvrijheid, echte stedelijke autonomie en formele invloed op het landsbestuur en door hoge belastingen. Die periode duurde tot 1794, toen Franse troepen de stad zonder veel moeite veroverden. Sinds de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden, in 1815, is 's-Hertogenbosch de hoofdstad van de provincie Noord-Brabant.

Zie ook het artikel 'Wandeling door 's-Hertogenbosch'

Meer lezen