Dodenpriesters

Uniek inkijkje in de wereld van de dodenpriesters

RMO

Uniek inkijkje in de wereld van de dodenpriesters

Rob van der Linden

Oude Egypte – Dodenpriesters

Een familiearchief van oud-Egyptische ‘waterschenkers’ voor de doden ontleed

Petra Meijerink-Hogenboom, MA, Assistent Conservator collectie Egypte van het Rijksmuseum van Oudheden; overige foto’s: RMO]

Vlakbij Thebe, het huidige Luxor, leefde de gemeenschap van de choachieten, de dodenpriesters. Wat weten we over het dagelijks leven en de mysterieuze rituelen van deze geheimzinnige kaste? Verbazend veel, dankzij de vondst van meerdere, in het woestijnzand uitstekend geconserveerde papyrusrollen die een schat aan informatie bevatten.

Teksten geschreven op papyri geven ons een kijkje in het dagelijks leven van de oude Egyptenaren. Door de gunstige klimatologische omstandigheden in het woestijnlandschap van Egypte blijft organisch materiaal goed bewaard. Hierdoor zijn de afgelopen eeuwen veel manuscripten in goede staat uit het zand tevoorschijn gekomen. Met het onderzoeken van deze handschriften leren we steeds meer over de mensen die de teksten hebben geschreven. Een aantal mensen die we op deze manier goed kunnen volgen zijn de zogeheten choachieten uit het gebied rondom Thebe, het huidige Luxor. Dankzij de papyri kunnen we de activiteiten bestuderen van deze gemeenschap van dodenpriesters.

Waterschenker

In het Egyptisch heet een choachiet een wah-moe, dat betekent letterlijk ‘degene die water schenkt’. In teksten uit de Grieks-Romeinse periode in Egypte noemt men zo’n waterschenker χοαχύτης, waar de term choachiet van afgeleid is. De taak van deze waterschenkers was het uitvoeren van de cultus voor een overledene namens diens familieleden. Dit betekent dat zij verantwoordelijk waren voor het onderhouden van het graf en het verzorgen van de nodige funeraire rituelen, bijvoorbeeld het brengen van plengoffers. De oude Egyptenaren geloofden dat om in het hiernamaals van een eeuwig leven te kunnen genieten, je net als in het leven hier en nu eten en drinken nodig had. Idealiter zou dit tot in de eeuwigheid worden verzorgd door de nabestaanden van de overledene, maar in de realiteit was dit niet altijd het geval. De familie kon daarom een professional in dienst nemen om de voedselvoorziening voor de overledene op lange termijn te waarborgen. Soms waren deze choachieten ook verantwoordelijk voor het vinden van een geschikte locatie voor het graf, het verzorgen van de begrafenis en het afhandelen van de funeraire belasting.

Een papyrus in de collectie van het Ägyptisches Museum und Papyrussammlung in Berlijn (Papyrus Berlin P. 3115) beschrijft hoe in 109 v.Chr. een aantal van deze dodenpriesters zich hebben verenigd in een gilde, zichzelf beschrijvend als ‘de choachieten van de necropool van Djeme’. Daarmee wordt verwezen naar het gebied waar zij werkten, het grafveld bij de nederzetting bij de tempel van Medinet Habu. Dit gilde stond officieel bekend als ‘de associatie van Amenophis’, een verschijning van de god Amon die specifiek geassocieerd werd met deze necropool.

Het streven van het gilde was het versterken van hun gemeenschap, door het vaststellen van omgangsvormen. Zo konden de banden worden versterkt door het sluiten van huwelijken tussen verschillende families. Choachieten trouwden doorgaans met de dochters van andere choachieten. Ook werd van de dodenpriesters verwacht dat ze allen aanwezig zouden zijn bij elkaars begrafenis. Iedere zoon van een choachiet kon vanaf zijn 10e jaar worden geïntroduceerd in de vereniging, maar moest vanaf zijn 16e officieel lid worden, anders zou hij niet langer deel uitmaken van de gemeenschap.

De zaak Chapocrates

Dit doet denken aan een situatie die opgetekend staat in een papyrus uit de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Deze Papyrus Leiden AMS 31a werd, samen met een aantal andere manuscripten, in 1828 door het museum aangekocht uit de verzameling van Giovanni d’Anastasi. De papyri behoren tot een groep teksten uit Thebe, die zo’n 200 jaar geleden, rond 1820, in Egypte op de markt verschenen. Al deze manuscripten beschrijven dezelfde mensen en waren onderdeel van het familiearchief van een man genaamd Horos en zijn oudste zoon Osoroeris, beiden choachieten. De teksten in het archief dateren allen tussen 182 en 98 v.Chr. en zijn geschreven in het Demotisch, Grieks of in een combinatie van beide schriftsoorten. De groep teksten omvat de administratie van de familie, maar ook teksten met betrekking tot de activiteiten van de Thebaanse dodenpriesters als gemeenschap. Ooit werden alle teksten van dit archief samen bewaard, waarschijnlijk in één of meerdere potten in een graf. De teksten zijn hier duizenden jaren verborgen gebleven, tot het begin van de 19e eeuw, toen ze werden ontdekt – hoe en waar precies is helaas nog steeds niet duidelijk – en op de markt kwamen. De papyri werden binnen een aantal jaar door diverse handelaren en verzamelaars aangekocht en verkocht, waardoor het archief uiteenviel. Via deze eerste kopers belandden de manuscripten uiteindelijk in verschillende museumcollecties wereldwijd.

Inmiddels zijn in die verzamelingen totaal zo’n 70 teksten uit de administratie van Horos en Osoroeris geïdentificeerd. Daarvan bevinden zich 7 exemplaren in de collectie van het RMO.

De eerdergenoemde tekst uit het RMO, Papyrus Leiden AMS 31a dateert uit de regeringstijd van farao Ptolemeëus VIII en koningin Cleopatra III, specifiek 124 v.Chr. Het gaat om een seh-en-wy, een ‘document van afstand doen’, en beschrijft de zogeheten ‘zaak Chapocrates’. De tekst is geschreven in het Demotisch met een Griekse annotatie. Vanaf de 2e eeuw v. Chr. was een dergelijke Griekse aantekening nodig om het document rechtsgeldig te maken.

Hoofdrolspelers in deze ‘zaak Chapocrates’ zijn Horos en zijn vrouw Sachperis, die zes kinderen hadden: vijf zonen, Osoroeris, Nechtmonthes, Petosiris, Chapocrates en Petemestous, en één dochter, Tages. Chapocrates draagt de titel ‘de man die kleding (loon) ontvangt’. Hij was een soldaat en dus geen choachiet. Hij koos daarmee voor een beroep buiten het familiebedrijf en had daarom ook geen recht meer op het bijbehorende bezit. Chapocrates’ oudere broer Osoroeris kocht zijn jongere broer daarom uit namens hemzelf en hun broers en zus. In dit document erkent Chapocrates dat hij zijn 1/6 deel van de toekomstige erfenis van zijn ouders Horos en Sachperis – die op dit moment nog in leven zijn – heeft ontvangen. Als gevolg van deze regeling werd van Chapocrates verder niet verwacht dat hij zou bijdragen aan de kosten van hun begrafenis.

De choachieten, de priesters die die zorg droegen voor de doden, verkregen hun inkomsten uit het bezit van en uit de zorg voor graven en mummies. Dit werk was een lange termijn aangelegenheid, omdat de mummies idealiter tot in de eeuwigheid verzorgd moesten worden. Daarom werden de werkzaamheden en de daaraan verbonden graven en mummies, van generatie op generatie overgedragen, het liefst binnen de familie. Het werk vertegenwoordigde een waarde, waar men inkomen uit kon vergaren, en was dus zoals ieder ander bezit overdraagbaar. Zo kon men de graven en bijbehorende mummies kopen, verkopen of erven. Omdat men de inkomsten zo veel mogelijk binnen de familie wilde houden, waren vrouwen ook regelmatig betrokken bij de werkzaamheden van het familiebedrijf en het bijbehorende bezit. De erfenis van Horos en Sachperis aan hun kinderen bestond voor een groot deel uit graven en mummies. Omdat Chapocrates uit het familiebedrijf stapte, kreeg hij zijn aandeel in dit bezit al vóór het overlijden van zijn ouders in andere typen bezit uitbetaald.

Het archief van Horos en Osoroeris

Het Leidse manuscript is een kopie die al in de oudheid is gemaakt van een tekst die zich nu in het British Museum in Londen bevindt (Papyrus BM EA 10413). De Leidse tekst is waarschijnlijk zo’n 20 jaar later opgesteld dan de oorspronkelijke tekst, in verband met een rechtszaak. Daarover valt meer te leren wanneer we ons verdiepen in de andere teksten uit het archief van Horos en Osoroeris, die zich nu bevinden in verschillende museale collecties verspreid over de hele wereld. De teksten en hun inhoud zijn in detail beschreven in P.W. Pestman’s The Archive Of The Theban Choachytes. Hierdoor kunnen we de volgende gebeurtenissen reconstrueren. 

We weten dat het bezit waar Chapocrates afstand van doet bij zijn ouders terecht is gekomen via het familiebedrijf via hun voorouders. Nadat Chapocrates is uitgekocht, blijven er vier zoons en één dochter betrokken bij het familiebedrijf en -bezit. Zij blijven daarmee ontvangers van de toekomstige erfenis en de bijbehorende verwachting om de begrafenis van hun dan nog levende ouders te verzorgen. Ieder overgebleven kind krijgt een deel van het familiebedrijf en bijbehorend vermogen toegewezen. Dat is vastgelegd in drie andere teksten uit hetzelfde jaar als de Leidse tekst, 124 v.Chr. Oorspronkelijk moeten er vijf van dergelijke teksten zijn geweest: één tekst voor ieder kind dat in de toekomst zou erven.

Een andere tekst uit het archief omschrijft de situatie van een aantal jaar later. In 116 v.Chr. sterft Petemestous, één van de vijf kinderen van Horos en Sachperis die dan nog zou erven. Omdat hij zelf nog geen kinderen heeft, komt zijn bezit terug naar de familie en moet zijn aandeel in de erfenis van zijn ouders nu worden verdeeld tussen de vier overgebleven erfgenamen. De vader Horos maakt daarom een nieuwe verdeling. In 111 v.Chr. sterft Horos en de vier overgebleven kinderen erven hun toegewezen deel van het familiebezit. 

Tot de genoemde rechtszaak, waarvan Papyrus Leiden AMS 31a lijkt te getuigen, komt het jaren later. Chapocrates’ zoon, genaamd Snachomneus, draagt de titel Aäm ‘herder’, aldus een papyrus uit 103 v.Chr. Hij kwam dus niet terug in het familiebedrijf waar Chapocrates eerder afstand van had genomen. Zo’n 20 jaar nadat zijn vader door zijn broers en zus was uitgekocht, zien we in de papyrus opgetekend staan dat zowel Snachomneus als zijn halfzus Tanous los van elkaar officieel erkennen dat hun vader zijn 1/6 deel van het familiebezit reeds had ontvangen. Het lijkt erop dat Snachomneus en Tanous het oorspronkelijk niet eens waren met de regeling die hun vader had getroffen, en dat zij die aanvochten om zo alsnog delen van het bezit uit het familiebedrijf te verkrijgen. Waarschijnlijk werden bij het in gang zetten van deze juridische procedure diverse kopieën gemaakt, waaronder Papyrus Leiden AMS 31a. Ondanks hun inspanningen, lieten Snachomneus en Tanous dus uiteindelijk hun aanspraak op het bezit van hun grootvader Horos varen.

Meer lezen

Ook leuk om te lezen

Tijdvakken

Landen

Thema's