Eduard Zuurdeeg van vondst tot vitrine

Tussen de verzameling

Eduard Zuurdeeg

Van Vondst tot Vitrine, met Eduard Zuurdeeg

Krijn Boom

Mensen verzamelen graag. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat we dat al duizenden jaren doen, maar ook door de enorme hoeveelheid en verscheidenheid aan voorwerpen die verzameld worden.

Gesterkt door de opkomst van de consumentenmarkt, de welvaart en de focus op het individu is verzamelen geworden tot een bekend- en erkend- fenomeen. Bijna iedereen verzamelt wel iets: van postzegels tot voetbalplaatjes, van Pokémon tot fietsbellen. Grote multinationals zoals Coca-Cola en Starbucks spelen hier graag op in, denk maar aan de ‘limited edition’ blikjes, en de koffiebekers met afbeeldingen van bepaalde steden: spaar ze allemaal! Nu hoef je niet altijd te betalen om te sparen – heel veel mensen verzamelen dingen die ze vinden in of op de grond. Gewoon zomaar, tijdens het wandelen of de hond uitlaten. Anderen krijgen verzamelingen doorgespeeld van iemand anders - zoals die oude verzameling munten van opa – en besluiten deze verder uit te breiden (of te verkopen). Waarom mensen een verzameling bodemvondsten starten, uitbreiden, wegdoen of verkopen is heel persoonlijk. Waar de een schat ziet, ziet de ander rommel. Heel vaak, echter, hangen hier een leuke en interessante verhalen aan vast.

Deze serie blogs, getiteld ‘Van Vondst tot Vitrine’, bestaat uit korte interviews met mensen die hun verhalen graag met jullie wil delen. Ze illustreert het brede spectrum van bodemvondsten – van archeologisch en paleontologisch materiaal tot hedendaagse vondsten – en beschrijft wat verzamelen met mensen doet - zowel op persoonlijk als professioneel vlak. Deze week: Eduard Zuurdeeg

Het interview

We spreken af bij Eduard thuis in Ede, aan de rand van de Veluwe. Binnen vallen onmiddellijk vitrines vol archeologische voorwerpen op. Het werd al snel duidelijk dat dit geen gewoon interview zou zijn; Eduard had namelijk net een herseninfarct gehad, en had moeite met praten en nadenken. Toch wilde hij graag zijn verhaal doen. Zijn vrouw Cor bleef erbij om hem mentale geheugensteuntjes te reiken.

Dag Eduard, bedankt dat je mij wilt ontvangen in je mooie huis hier in de groene bosrand. We gaan het vandaag natuurlijk hebben over jouw verzamelingen, maar wellicht kun je eens beginnen met wat te vertellen over jezelf?

Jazeker, ik ben geboren in Utrecht, maar ik heb op diverse plekken in het land gewoond, onder andere in Nijmegen en Haarlem, mijn ouders verhuisden nogal eens [lacht]. Nu woon ik al een hele tijd in Ede met mijn vrouw Cor. Ik interesseer me erg in de natuur: biologie, geologie en natuurlijk archeologie, en verzamel dus ook graag dingen op dat gebied. Als ik iets tegenkom, dan neem ik dat mee naar huis om het beter te bekijken, te bestuderen. En ja, ook als souvenir.

Hoe ben je geïnteresseerd geraakt in deze onderwerpen? Had je dat als kind al?

Jazeker. Mijn ouders en mijn broers hadden ook al deze interesse. Toen ik op de lagere school zat in Haarlem, dat was nog in oorlogstijd, werden er soms mensen uitgenodigd die dingen kwamen laten zien en daarover vertelden. Een zo iemand bracht een collectie scherven mee op kartonnen borden, dat heeft mijn interesse gewekt. Dat was volgens mij ook voor het eerst dat ik daarmee in aanraking kwam. Daarnaast hadden we ook een hoofdonderwijzer, meneer Leguit heette die [lacht], die ongelofelijk mooi kon vertellen. Hij hield heel erg van de natuur, vooral van vogels. Als we dan op pad gingen met de klas, kon hij zich enorm opwinden over kinderen die te veel herrie maakten. We gingen natuurlijk de vogels in de weilanden te bekijken, dan moet je stil zijn. Mijn vader had ook allerlei boeken over archeologie. Rotstekeningen en dat soort zaken. Primitieve werktuigen. Reuze interessant.

Ben je toen ook al begonnen met verzamelen?

Ja, volgens mij wel. Ik zal een jaar of zeven geweest zijn. Ik was veel buiten, en nam gewoon dingen mee naar huis. In Haarlem schelpen van het strand, en vogelveren. En die bewaarde ik dan. Later in Nijmegen had ik zelfs een zolderkamer waar ik een soort expositie had ingericht. Ik had allerlei vondsten door mekaar, mammoetskiezen, Romeins aardewerk, opgezette vogels die ik zelf prepareerde. Ik groef toen ook al zelf in die regio, en ook dat nam ik dan mee terug. Omdat ik altijd maar in m’n eentje aan het graven was vond m’n moeder dat ik maar eens meer contact moest gaan opzoeken met anderen. Ze las toen ik een jaar of 15 was een stukje in de krant van een archeoloog, Van der Heijden geloof ik, en stuurde hem een brief, of er niet iets voor me te doen was. En zo werd ik corresporndent bij de ROB [Rijksdienst voor Oudheidkundig Onderzoek].

Wat hield dat precies in dan? Correspondent van de ROB?

Je was zogezegd de ‘ogen in het veld’, he. Je werd geacht alle vondsten te melden, maar we kregen ook cursussen over hoe dat moest. Er was ook een correspondentendag bij de ROB, dan logeerden we met z’n allen in Amersfoort en kreeg je lezingen. En de verzamelaars, die brachten dan hun vondsten mee. De meeste correspondenten waren geen verzamelaars overigens, maar gewoon geïnteresseerden die er graag over lazen. Wat ik zelf van die heb geleerd is dat het heel belangrijk is om alles te documenteren. Coördinaten, vondstomstandigheden. Dat deed ik dan zelf ook heel netjes voor mijn verzamelingen.

Duidelijk. Even terug naar dat verzamelen dan, we zijn nu in Ede, u heeft een huis vol met vitrines staan. Het verzamelen ging dus door neem ik aan?

Ja, toen ik hier kwam wonen ben ik gestart met het verzamelen van Mesolitische werktuigen en klokbekers. Kijk, mijn verzamelingen zijn eigenlijk altijd gevormd geweest door mijn woonplaats: in Haarlem dingen van de duinen, in Nijmegen veel Romeins, hier in Ede, dus vlakbij de Veluwe veel Mesolitische materiaal. Ik nam gewoon alles mee naar huis. Lopend vooral, zonder tas want die hadden we natuurlijk niet in die tijd. Ik had wel een fiets, maar geen banden. Dus dan fietste je gewoon op de stalen velgen, maar dat heeft niet lang geduurd eigenlijk [lacht]. Alhoewel ik wel vrienden had, deed ik toch veel dingen alleen. Dat werd me ook weleens kwalijk genomen. Een dwarsligger, zogezegd. Ik was bijvoorbeeld lid van de AWN, en dan mag je natuurlijk geen vondsten meenemen, dat is allemaal voor de club. Maar ik vond dat ze er af en toe niet veel van maakten, en tuinde daar dus niet in. Zelfde geldt voor de monumentenwet die er op een gegeven moment kwam, toen mocht je natuurlijk helemaal niet meer graven. Maar ja, dan werd er gebouwd en zag je overal grondsporen en vondsten die je meldde bij de Rijksdienst, maar dan kreeg je de reactie van ‘Ja, we hebben nu geen geld en tijd’, ja …ik riep dan wel eens een paar mensen bij elkaar en dan gingen we toch graven. Een ander voorbeeld was een grafheuvel hier op de hei. Daar hielden ze militaire oefeningen op, met militairen die er gewoon schuttersputjes in groeven. Daardoor lagen er allemaal scherven zo in het zand er omheen. Ik heb dat gemeld bij de ROB natuurlijk, maar die deden verder niet veel. Ja, die zochten de beheerder van de militaire terreinen, en dat was mijn vader [lacht]. Dat gaf wel een beetje een vreemde situatie, dat mijn vader naar me toe kwam met het bericht van de Rijksdienst om er mee op te houden. Maar goed, ophouden kon natuurlijk niet, en ik vond het zonde dat er zo ingegraven werd, dus ik heb dat spul maar verzameld. Natuurlijk was de Rijksdienst er snel achter dat ik die grafheuvel had afgezocht, dus tijdens de eerstvolgende correspondentendag werd ik naar voren geroepen op het podium waar de directeur dan verkondigde ‘Kijk beste mensen, dit is nou zo’n rakker die het niet kan laten om te graven in een grafheuvel’. Nou, de hele zaal loeien natuurlijk. ‘Maar’, zei de directeur, ‘hij heeft hem ook weer netjes opgeworpen, dus het is niet zichtbaar meer dat er is gegraven’. Tsja.

Image

van vondst tot vitrine

Onderschrift

Een grote verzameling

Waarom vond je het dan zo belangrijk dat die archeologische vondsten bewaard bleven?

Omdat ik het prachtig aardewerk vond. Vooral de vorm, maar ook de versiering. En ook de wetenschap erachter. Alhoewel ik natuurlijk niet zoveel weet als amateur, zie ik, en voel ik, wel dat het heel oud is. Maar ik vond het vooral prachtig mooi. Ik heb veel aardewerk verzameld. Bronstijd, ijzertijd, klokbekers, standvoetbekers, maar ook wel vuurstenen artefacten. Op een gegeven moment had ik wel zo’n 50.000 artefacten, alles goed gedocumenteerd en geconserveerd. Dat wekte ook wel belangstelling op in het professionele veld, ik kreeg veel bezoek over de vloer. Mensen van de universiteit die dingen kwamen lenen voor onderzoek, maar ook mensen zoals Louwe Kooijmans, Niekus, Jos Deeben, Bohners, Glazema, Van der Waals, Buttler, en vele anderen. Die wilden dan over de vondsten publiceren, en dat vond ik natuurlijk prima. Werd vaak netjes vermeld. Ook niet-professionals klopten aan. Historische verenigingen, maar ook groepen blinden omdat ze hier de voorwerpen mochten vasthouden. Het grootste gedeelte van de verzameling ligt onder het huis in de kelder met een vrij steile trap, nou, dat was wel even spannend- met een blindengeleidehond de trap af. Maar het is gelukkig goed gegaan en ze vonden het prachtig! Voelen aan een vuistwig met een scherpe rand bijvoorbeeld, of een klokbeker met versiering. Dan zeiden ze ‘ik voel allemaal ribbeltjes, is dat de versiering?’. Dat vond ik ongelofelijk mooi, om zo die liefde voor archeologie te kunnen delen.

Nu maakt die verzameling deel uit van de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden. Hoe is dat gegaan?

Ik realiseerde me dat ik ouder werd. En dan kan je beter wat wegdoen, zolang je nog een beetje na kan denken. Bovendien wist ik dat Leiden geïnteresseerd was. Dat ging eerst via Leo Verhart, maar later ook door Luc [Amkreutz]. De intentie van deze verzameling was nooit om het door te geven naar de volgende generatie hoor, het was echt gewoon omdat ik het mooi vond. Maar gaandeweg, geleidelijk aan, ga je toch nadenken over die dingen. Dat ontwikkelt zich langzaam en op het moment dat je merkt dat er serieus belangstelling voor is, en je ouder wordt, dan maak je uiteindelijk een beslissing.

Je hebt ook nog een andere verzameling begreep ik. Uit de Sahara. Kun je me daar wat meer over vertellen?

Zeker. Ik had een goede kennis die ook verzamelde en bij de recherche zat. Die werd op een gegeven moment uitgezonden naar het noorden van Marokko. Hij zag hoe mooi het daar was, en zei toen tegen mij ‘Ed, we gaan een camper huren en daar eens kijken’. Dat was heel erg leuk. Later zijn we ook een keer met een Duitser mee gegaan om te zoeken, maar die hield niet zo van avontuur, dus sloegen we veel plekken over waarvan ik dacht dat er wel het een en ander te vinden zou zijn, in diepe dalen bijvoorbeeld. Ik hield wel van een beetje van risico. Cor ook trouwens, want die heeft zelfs nog in een circus gewerkt [Cor kinkt instemmend]! Toen dacht ik ‘dit moeten we alleen gaan doen, dan ben je volkomen vrij’. En dat hebben we ook gedaan. Vanuit intuïtie en een beetje aangeleerd gedrag wisten we wel waar we moesten zoeken. We hebben toen een oude Citroen gekocht, een BX Break, waar we de achterbank uit hadden gesloopt om twee bedjes te maken. Daar zijn we de hele Spaanse Sahara mee af geweest, van Noord Marokko, langs de kustlijn, helemaal tot aan Mauritanië. Die auto was daar natuurlijk niet voor gemaakt om, dus we hebben ook vrij veel vastgezeten. In zoutmeren bijvoorbeeld, die zijn mooi en glad, en daar kan je prima overheen rijden. Totdat de zoutkorst te dun wordt en je vast kwam te zitten. Dan stap je uit, zit je tot je knieën in de modder, blijft je schoen daarin steken, schoenen dan maar uit, prikkelende zoutkorrels en kristallen in je voeten. Da’s geen doen. Gelukkig kon mijn vrouw goed graven, die was klein en kon onder de auto, speelde een soort van zandhagedis. In combinatie met wat verdorde cactussen onder de wielen kwamen we wel weer vrij. Gelukkig waren er ook mooie momenten. Wij sliepen in de auto, midden in de Sahara. Gewoon, onder de sterren, samen. Dat was schitterend. Die stilte... Het ging dus niet alleen om de vondsten, dat zoeken, alhoewel dat wel de aanleiding was, maar het ging ook zeker om de prachtige omgevingen en het avontuur. Positieve Saharitus, wordt dat ook wel genoemd [lacht].

Wat voor vondsten hebben jullie zoal gedaan dan?

Veel verschillende, over de jaren heen. Eigenlijk alles wat we zagen liggen namen we mee, dus zeker niet alleen archeologie. Ook schelpen, een versteende kameleon, je ziet zoveel leuke interessante dingen, je wordt er gewoon een beetje hebberig van [lacht]. Een van de mooiste vondsten zijn versierde struisvogeleieren die jagers-verzamelaars hadden gebruikt. Sommigen zelfs met een drinkgaatje erin. We vonden ook veel rituele plekken, waar de vuurhaarden en maalstenen nog in de grond lagen. Als je daar dan staat, met verder helemaal niks om je heen, dan doet dat wel wat met je. Het idee dat mensen dat ooit hebben gemaakt. Er werd daar in die tijd jammer genoeg bijna geen onderzoek naar gedaan, en er ging heel veel verloren. Door bepaalde vindplaatsen werden gewoon wegen aangelegd, dwars door de grafheuvels heen. Veel plekken kenden ze ook niet, het interesseert ze ook niet, ja het Romeinse, dat wel. Maar verder was de interesse voor archeologie nul komma nul. We hebben overigens geen archeologie opgegraven daar, ik had een bladblazer mee, daar kon ik wat zand mee wegblazen, maar we gingen niet echt de diepte in. Het enige wat we wel uitgegraven hadden waren die struisvogeleieren. Het graven lieten we voor als de auto weer eens vastzat. 

Hebben jullie een idee wat jullie met deze verzamelingen willen doen?

Heel vaag wel ja. De musea willen die verzameling niet hebben, dus dan ben je aangewezen op verzamelaars. Maar, daar is de collectie eigenlijk weer te groot voor. Dus dan zal het wel via een handelaar gaan uiteindelijk. We hebben ook contact gezocht met een Marokkaanse archeoloog hier in Nederland, met het idee om alles over te dragen aan Marokko. Dat was toch wel een mooi idee, gewoon omdat het daar thuishoort. Die had er ook wel interesse in, want het was een verzameling met goede documentatie, inclusief de coördinaten en dergelijke. Jammer genoeg is dat doodgelopen want er hing toch wel een kostenplaatje aan. We moeten er nog maar eens over na denken.

Tot slot: zou u verzamelen aanraden?

Nee! Absoluut niet [lacht]! Nee want… als je het goed wilt doen is het een hele hoop werk. Het is niet alleen het verzamelen he, het is ook het documenteren, restaureren… Maar het is wel leuk.

Over de geïnterviewde

Eduard Zuurdeeg is een bekende amateurarcheoloog en verzamelaar. Zijn collectie werd tentoongesteld in het Rijksmuseum van Oudheden onder de naam ‘100.000 uur archeologie’ (aangekocht in 2010 in samenwerking met Gemeente Ede), wat staat voor het aantal uur dat Eduard heeft gespendeerd aan zijn collectie, gedurende zo’n 60 jaar. De verzameling van Zuurdeeg vormt samen met zijn uitgebreide documentatie en zelfgemaakte maquettes een uniek archeologisch document over 50.000 jaar bewoning op de Veluwe. Het is een mooi voorbeeld van hoe amateur-verzamelen kan gaan: van een aantal kleine vondsten naar een collectie overgenomen door een groot en bekend museum. Ik was benieuwd naar de persoonlijke verhalen hierachter, en ging bij hem op bezoek.

Deze serie blogs is geschreven in het kader van het VICI-onderzoeksproject van David Fontijn genaamd ‘Economies of Destruction’, en werd gefinancieerd door het fonds voor Nederlands Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Meer lezen

Ook leuk om te lezen