Caesar in Nederland

Buste van Caesar

Roma Musei Vaticani (Museo Pio Clementino) [Public domain] via Wikimedia Commons

Caesar toont in de Lage Landen zijn ware gezicht

Daan Couwenbergh

Is Julius Caesar ooit in onze streken geweest? Hij schrijft er weliswaar over in zijn persoonlijke verslag over de Gallische Oorlog (58-50 v.Chr.), waarbij hij het Romeinse gezag vestigde in het gebied wat nu Frankrijk is en het aangrenzende deel van de Lage Landen tot aan de Rijn, maar we dachten lang dat hij opschepte. Archeologische vondsten dwingen de laatste jaren echter deze visie bij te stellen: de aanwijzingen stapelen zich op dat Caesar wel degelijk doordrong tot wat nu België, Limburg en Brabant is. Tom Buijtendorp zette kortgeleden in een boek alle nieuwe vondsten rond Caesars noordelijke militaire campagne op een rij. Hij vindt dat we ons beeld van Caesar moeten bijstellen. Inhoudelijk, maar ook letterlijk.

Tekst: Tom Buijtendorp

De Romeinse propaganda heeft ons een onjuist beeld van het uiterlijk van Julius Caesar opgeleverd. Belangrijk daarbij is de moord op Caesar op 15 maart 44 v.Chr. Hij werd die fatale dag omgeven door zijn tegenstanders en met messteken omgebracht zoals de Romeinse historicus Suetonius bericht: ‘Toen hij merkte dat hij van alle kanten met getrokken dolken werd belaagd, omhulde hij zijn hoofd met zijn toga en trok tegelijk met zijn linkerhand de plooien van zijn toga strak omlaag tot aan zijn voeten, opdat ook het onderste gedeelte van zijn lichaam bedekt zou zijn en hij behoorlijker zou vallen. In deze houding werden hem drieëntwintig wonden toegebracht.’

De beeldvorming van Caesar ging een belangrijke rol spelen in de propaganda van de mannen die hem wilden opvolgen: zijn protegé Marcus Antonius en zijn geadopteerde zoon Octavianus. Marcus Antonius moest Caesars moordenaars, tevens zijn eigen rivalen, verslaan. Hij besloot Caesar tot martelaar te maken om de daders in een kwaad daglicht te stellen. In een grootse openbare begrafenisceremonie stak hij de loftrompet over de gestorven leider. Hij ging onder andere in op de gevaarlijke Galliërs die waren verslagen in de Gallische Oorlog. ‘Alleen jij, Caesar, bent ongeslagen teruggekeerd van alle gevechten die je leverde. Alleen jij hebt het land bevrijd van de driehonderd jaar oude bedreiging, door de barbaarse stammen op hun knieën te dwingen, de enige stammen die ooit Rome binnenkwamen en deden branden,’ zo geeft de Romeinse historicus Appianus zijn lijkrede weer.

Met gevoel voor drama hing Marcus Antonius de bebloede tuniek die Caesar in zijn laatste uren droeg, aan een speer achter zijn opgebaarde lichaam. Een wassen dodenmasker van Caesar werd op een ronddraaiend apparaat getoond, naar de tekst suggereert inclusief de messteken die Caesars gezicht hadden geraakt. De dramatische vertoning had het beoogde effect zodat de moordenaars inderdaad de wijk moesten nemen voor de woedende Romeinen.

Na de begrafenis kwam een proces van vergoddelijking op gang. Het idee was dat Caesar zich in de hemel tussen de goden had gevestigd. Men zag een verband met de komeet die enkele maanden na de moord zichtbaar werd toen Caesars opvolger Octavianus, later bekend als keizer Augustus, spelen organiseerde ter ere van Caesar.

In de ogen kijken

Van de vergoddelijkte Caesar zijn marmeren portretten gemaakt. Er zijn er tien bewaard gebleven, maar de meeste zijn na de Romeinse tijd stevig gerestaureerd. In het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden daarentegen staat een beschadigd exemplaar dat onbewerkt uit de grond is gekomen, zeer waarschijnlijk in Nijmegen. Het toont de ingevallen wangen en verzonken oogkassen zoals je die ziet bij iemand die is overleden. Het deed de Leidse museumconservator W.C. Braat al in 1939 denken aan een dodenmasker dat vlak na de moord gemaakt was. Het Nijmeegse beeld heeft overigens een grote dos haar, terwijl Caesar volgens antieke bronnen kaalde. Het lijkt erop dat het weelderige hoofdhaar van de inmiddels als overwinnaar uit de opvolgingsstrijd gekomen Augustus de norm was geworden.

Kijken we in Leiden de zojuist vermoorde Caesar in de ogen, weergegeven in zijn vergoddelijkte gedaante, weliswaar met een postume pruik maar qua proporties ongeveer correct? Het idee is niet zo gek. Er is alleen een aspect dat ontbreekt, en daar kwamen we achter toen we op zoek naar het ware gezicht van Caesar dit beeld vergeleken met een buste in het oudheidkundig museum van Turijn. Dat is een niet al te goede kopie van een verdwenen bronzen beeld en heeft mede door die wat onbeholpen stijl relatief weinig aandacht getrokken.

Ten onrechte, want de buste toont rechts een verdikking van de schedel. Zo’n misvorming treedt soms op als complicatie bij een zware bevalling, zo werd desgevraagd bevestigd door chirurg Erik van Lindert van het RadboudUMC Nijmegen. Nu weten we dat de kunstenaar een levensecht beeld van Caesar voor ogen had. Geen beeldhouwer zou zo’n detail verzinnen. Juist in die tijd was het bovendien gebruikelijk om portretten zeer levensecht te maken. Had het model bijvoorbeeld puisten of rimpels, dan kwamen die op zijn beeltenis, en dus ook zoals in dit geval een schedelafwijking en de teruggetrokken haarlijn van een vijftiger.

Omdat de Turijnse buste een matige kopie is, blijven er onzekerheden over het exacte uiterlijk van Caesar, maar de reconstructie die Maja d’Ollosy maakte, en die hier is afgebeeld, moedigt aan het traditionele beeld los te laten.

Speciale schoenspijkers

Ook de traditionele opvatting dat Caesar zich in de Gallische Oorlog als een geniaal en heroïsch veldheer geweerd heeft, is aan herziening toe. Hij was in die tijd nog geen almachtig dictator, maar proconsul van de Romeinse provincies Gallia Cisalpina (Noord-Italië) en Illyrië aan de oostkant van de Adriatische Zee. Hij moest aan het eind van elk campagnejaar aan de Senaat in Rome rapporteren. Van zijn verslagen is een versie bewaard die bekendstaat als De Bello Gallico (Over de Gallische Oorlog).

We lezen Caesars eigen rapport met andere ogen sinds we weten dat het op cruciale punten overeenstemt met archeologische vondsten. Zo werd in 2008 ontdekt dat de schoenspijkers van zijn soldaten een zeer specifieke vorm hadden en konden vervolgens bij Koblenz drie marskampen aan hem worden toegeschreven; ze passen bij de locatie van twee veldtochten tegen de Germanen die Caesar beschrijft. In 2017 werd door opgravingen vastgesteld dat Caesar in de nazomer van 54 v.Chr. met zijn leger in Engeland was geland op de kust van Kent, ook conform zijn verslag. Dit betekent dat Caesar een aantal malen in onze streken is geweest. In de zomer van 54 heeft hij zijn leger van de omgeving rond Koblenz zeer snel verplaatst richting het Kanaal. Deze bliksemsnelle troepenverplaatsing was alleen mogelijk als hij geen grote rivieren heeft overgestoken (want dat had aanzienlijk vertraagd). De route moet dus van Maastricht dwars door België naar ergens bij Calais hebben gelopen.

Het is aannemelijk dat hij dezelfde route, maar dan in omgekeerde richting, ook al gebruikte toen hij in 55 optrok tegen Germanen die op rooftocht waren. Waarschijnlijk heeft hij toen de Nederlandse Maas vanaf de in de buurt van Maastricht gelegen rivierovergang naar het noorden gevolgd. Het jaar erop leed hij na terugkeer uit Brittannië een zware nederlaag die hij in De Bello Gallico beschrijft; gezien de nieuwe inzichten was ook dit waarschijnlijk nabij Maastricht. In 53 keerde hij naar dezelfde plek terug en leed er nogmaals een nederlaag. Tot slot zijn er aanwijzingen dat hij in 51 zijn leger nog een keer langs het Nederlandse deel van de Maas naar het noorden liet oprukken.

Was het genocide?

Al vroeg had Caesar zich met verdragen gepositioneerd als vriend van de Gallische stammen, en hij trok in 55 naar de Maas op om hen te beschermen tegen een Germaanse inval, zo presenteerde hij het althans. Bij het huidige Noord-Brabantse rivierplaatsje Kessel vond mogelijk het treffen plaats, want hier zijn eind 2015 in een rivierarm wapens en skeletten uit de Romeinse tijd opgebaggerd. Caesar zelf pochte dat hij de 430.000 leden tellende Germaanse stam van de Usipeten en Tencteren, inclusief vrouwen en kinderen, de dood in had gejaagd.

Was hier sprake van genocide, zoals sommige onderzoekers en niet te vergeten de pers suggereerden toen bij Kessel zijn mogelijke slachtoffers gevonden werden? Nog los van de discussie over de vraag of dit inderdaad de plek van de beschreven veldslag was, kan het aantal niet kloppen. Wetenschappers schatten dat er toen in heel Nederland maar ongeveer half zoveel mensen woonden. Analyse van andere gevallen waarbij Caesar cijfers noemt, wijst erop dat hij met halve waarheden zijn gegevens opklopte om in Rome indruk te maken; wel zorgde hij vermoedelijk dat hij de getallen kon verantwoorden (zie kader).

Caesar kon het zich namelijk niet permitteren om voluit te liegen. Overdrijven kon, maar tot op zekere hoogte. Elke flagrante onwaarheid zou onherroepelijk aan het licht gekomen zijn als die afweek van wat de elite in Rome uit andere bronnen te weten kwam. En die waren er: koeriers bezorgden brieven van onder anderen Caesars staffunctionaris Trebatius Testa en van Quintus Cicero, een van zijn hoge legerleiders en tevens broer van de beroemde redenaar Marcus Cicero. De inhoud kennen we doordat Marcus erover schreef in eigen brieven waarvan een kopie bewaard bleef.

Deze epistels horen dus, nu het vrij aannemelijk is dat Caesar in de Lage Landen verbleef, tot de oudste ooggetuigenverslagen van het leven hier en de noordelijke campagnes. Ze bevatten mooie details. Zo kreeg Testa advies hoe om te gaan met de kou en waarschuwingen voor koppensnellers, die de Romeinen in onder meer de Ardennen inderdaad tegenkwamen. Verder lezen we hoe Quintus Cicero baalt van zijn militaire taak en liever Griekse gedichten zou schrijven, wat hij in het noorden ook deed.

Cato wil straf

Caesar beschrijft in zijn rapport over de strijd in 55 dat hij de Germaanse onderhandelaars gevangen had gezet. Dit was een schending van het Romeinse oorlogsrecht en politiek gezien een flinke misstap. Verdragen waren een veel gebruikt middel in Romes buitenlandse politiek en het was belangrijk dat de Romeinse reputatie als betrouwbare onderhandelingspartner behouden bleef. Zijn invloedrijke tegenstander Cato eiste in de Senaat zelfs dat Caesar bij zijn terugkeer als straf en bij wijze van eerherstel aan de Germanen uitgeleverd zou worden. Caesar had uiteindelijk zoveel vijanden in Rome dat hij na afloop van de Gallische Oorlog alleen samen met zijn mede in het noorden getrainde leger naar de hoofdstad durfde. Hij legde met deze militaire staatsgreep de basis voor zijn latere dictatuur.

Eburonen

Normaal gesproken gebruikte Caesar de winter als adempauze voor zijn troepen en reisde hij zelf naar het zuiden om zijn politieke zaken te behartigen. Maar in de winter van 54-53 dreigde in het noorden zoveel verzet tegen de Romeinse aanwezigheid dat Caesar tegen zijn gewoonte in persoonlijk bij zijn troepen bleef, met het hoofdkwartier in het Noord-Franse Amiens als standplaats. De graanoogst was na een extreem hete zomer zeer slecht zodat hij besloot zijn mannen over een extra groot gebied te verspreiden om alle eenheden te kunnen voeden. Anderhalf legioen werd noodgedwongen uitzonderlijk ver weg gelegerd, in het stamgebied van de Eburonen van wie Caesar veronderstelde dat ze het Romeinse gezag accepteerden. Zij leefden in een gebied rondom Maastricht dat delen van België, Duitsland en Nederland bestreek.

Mogelijk vestigde de Romeinse eenheid zich in de op een heuvel gelegen versterking bij Caestert aan de voet van de Sint-Pietersberg bij Maastricht. Helaas zijn hier weinig en geen dateerbare vondsten gedaan, wat mede te maken kan hebben met het korte gebruik als tijdelijk kamp, maar details in Caesars verslag kloppen met de omgeving. Bovendien zijn juist rond deze tijd in de omgeving van Maastricht begraven schatten gevonden met munten die speciaal geslagen lijken te zijn door de Eburonen, die hun bondgenoten met geld wilden overhalen om mee te strijden tégen Caesar. Die had hun loyaliteit dus totaal verkeerd ingeschat.

Hinderlaag

Caesar beschrijft hoe de Eburonen de eenheid in een hinderlaag lokten en bijna alle Romeinse soldaten afslachtten, naar schatting 5000 man. Als ze inderdaad bij Caestert zaten, gebeurde dit vermoedelijk in het Jekerdal aan de voet van de Sint Pietersberg. De Eburonen brachten zo Caesar de grootste nederlaag van de negen jaar durende Gallische Oorlog toe. Geen wonder dat hij het jaar erop met zijn voltallige leger van tien legioenen naar dezelfde plaats trok voor revanche. Hij rapporteert dat de burcht nu het basiskamp werd voor de bagage. Bij Caestert zijn sporen gevonden van een vergroting van de versterking die nodig kan zijn geweest om de bagage veilig op te kunnen slaan.

Negen legioenen gingen in drie richtingen op wraakcampagne, met Caesar aan het hoofd van de groep die de Eburoonse leider wilde pakken. Er bleef één legioen achter om de bagage te bewaken, wat een routineklus leek, maar het werd een drama. Om de Eburonen extra te straffen, had Caesar namelijk omringende stammen uitgenodigd het land van de Eburonen ongehinderd te komen plunderen. Daarop staken ook 2000 Germaanse ruiters de Rijn over, die ter plaatse vernamen dat de Romeinen hun bagage op één punt hadden achtergelaten. Daar dicht bij elkaar viel meer buit te halen dan op een paar Eburoonse boerderijen en ze vielen het bagagekamp aan. Dit mislukte weliswaar, maar ze hakten wel zo’n duizend Romeinse soldaten in de pan toen die buiten het kamp graan aan het oogsten waren. Tegenover Caestert bevindt zich inderdaad vrij precies binnen de door Caesar genoemde straal van drie mijl een groot graanrijk heuvelplateau. Om het schandelijke verlies van nog eens duizend man richting Rome te verzachten, rapporteert Caesar de Eburonen volledig uitgeroeid te hebben. Analyse van de Eburoonse munten leert echter dat die ook nadien in vergelijkbare aantallen werden geslagen.

Het bleef nog lang onrustig

In 52 was Caesar weer zuidelijker in Gallië, waar hij de verschanste opstandelingenleider Vercingetorix na een lange belegering wist te verslaan. De Galliër werd als overwonnen ‘barbaarse rebel’ meegevoerd naar Rome en er publiekelijk gewurgd na zes jaar in een kerker te hebben gevegeteerd. Gallië werd ingelijfd bij de Romeinse republiek, maar in het noordelijke deel in en rond de Lage Landen bleef het zo onrustig dat Caesar er in 51-50 v.Chr. weer op campagne ging. Opnieuw zag hij zich gedwongen buiten Italië te overwinteren, deze keer in het Noord-Franse Arras. Omdat de Eburonen inderdaad niet waren verslagen, organiseerde Caesar in 51 een tweede wraakactie tegen hen. Het succes daarvan is onzeker: Caesar moet zelf erkennen dat het hem nooit is gelukt de Eburoonse leider Ambiorix te pakken te krijgen.

Alles bij elkaar genomen schond Caesar tegen de Germanen het oorlogsrecht, waardoor hij alleen met zijn leger terug naar Rome durfde, met blijvende politieke gevolgen, veronderstelde hij ten onrechte dat de Eburonen hem steunden en verloor hij daarom zo’n 5000 soldaten, riskeerde hij weer een jaar later zijn bagage en misrekende hij zich toen hij opriep tot massale plundering, wat hem nog eens zo’n duizend man kostte. De slotsom moet zijn dat Caesar nogal wat blunders heeft gemaakt in de noordelijke campagnes, maar dat hij er tot op zekere hoogte wél eerlijk over berichtte in zijn oorlogsverslag. Nu we dit weten, kunnen we De Bello Gallico opnieuw gaan lezen: als onze eerste geschreven geschiedenis.

De cijfers van Caesar

Terwijl tot nu toe is aangenomen dat Caesar het aantal overwonnen vijanden volledig verzon, zit er een systeem in. Hij lijkt van een aantal stammen tellingen gehad te hebben die nodig kunnen zijn geweest voor belastinginning. Maar in andere gevallen schatte hij blijkbaar de stamgrootte op basis van vuistregels. Zo lijkt hij verondersteld te hebben dat een stam voor gemiddeld een kwart uit weerbare mannen bestond, wat gezien onze kennis van de toenmalige demografie een redelijke inschatting is. Van die weerbare mannen verscheen veelal slechts een kwart tot de helft op het slagveld vanwege de trage reissnelheid en noodzaak thuis de landbouw draaiende te houden, zoals Caesar zelf schrijft. Een andere vuistregel was dat gemiddeld een op de honderd weerbare mannen in een stamraad zat.

Zijn cijfers komen in enkele onderzochte gevallen overeen met archeologische gegevens over de grootte van een stam die onder andere kan worden afgeleid uit het oppervlak van hun gebied en de beschikbare ruimte in vergaderzalen en vluchtburchten.

Caesar hanteerde naar het schijnt ook als vuistregel dat gemiddeld een op de honderd stamleden ruiter was. Hij vroeg tijdens de Gallische Oorlog regelmatig aan zijn bondgenoten om hem met ruiters bij te staan. Als hij een idee had van de omvang van een stam, kon hij dus een redelijk aantal bepalen. Met een schatting van de omvang van de stamraad kon hij tevens bepalen hoeveel gijzelaars de elite redelijkerwijs uit eigen kring kon leveren: een veel gebruikte garantie bij verdragen.

Caesar gebruikte vervolgens zijn kennis om in Rome goede sier met de cijfers te maken, binnen de grenzen van wat geloofwaardig was. Met het aantal vijanden dat hij in zijn rapporten noemde of hoe hij tegenslagen weergaf, moest hij immers zijn militaire keuzes onderbouwen. Zijn positie hing ervan af. Ergens in het begin van De Bello Gallico stelt hij terecht dat zelfs een zeer krijgszuchtige stam hooguit de helft van de weerbare mannen voor een veldslag bijeen kon brengen. In zijn berichten over veldslagen lijkt hij echter vaak het totale aantal weerbare mannen te noemen en suggereert hij dat die allemaal tegenover hem stonden. Zo wekte hij de indruk van een enorme overwinning, terwijl de verschillen in legersterktes in werkelijkheid veel kleiner waren. Hij zette eenvoudigweg uit effectbejag zijn overwinning zwaar aan. Caesar was als echte Romein goed in propaganda.

Tom Buijtendorp richt zich op de ‘cold cases’ in de archeologie en promoveerde in 2010 op de vergeten Romeinse stad Forum Hadriani. Van hem verscheen als laatste boek Het ware paradijs, op het spoor van een vergeten ontdekking (Omniboek 2019). Het verloop van de noordelijke campagnes van Caesar analyseert hij met archeologische vondsten en ander bronmateriaal uitvoerig in Caesar in de Lage Landen. De Gallische oorlog langs Rijn en Maas (Omniboek 2018).

Meer lezen
Tijdvakken
Landen
Thema's