Lou Lichtenberg

De vroegste geschiedenis van Rotterdam

Arnold Carmiggelt is sinds 1 maart 2009 hoofd van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van de gemeente Rotterdam. Archeologie Magazine praat met hem over de geschiedenis van Rotterdam. En de archeologische vondsten aan de hand waarvan je over die geschiedenis kunt vertellen.

Carmiggelt: ‘Voor zover we nu weten hebben in Nederland 250.000 jaar geleden voor het eerst mensen rondgelopen. Vondsten uit die tijd zijn doorgaans vuistbijlen, messen en spitsen, allemaal gemaakt van vuursteen, gereedschappen van Neanderthalers. Maar de kans dat je dergelijke sporen ook in het Rotterdamse in situ vindt, staat gelijk aan de vondst van een naald in een hooiberg. Twee factoren zijn daarvoor bepalend. Allereerst liggen hun sporen verborgen onder dikke lagen zand, klei en veen die er in de afgelopen duizenden jaren op zijn afgezet. Bovendien wordt de kans op het vinden van dergelijke sporen nog verkleind doordat de bevolkingsdichtheid in die tijd erg laag was’.

Vroegste Rotterdamse sporen
‘De oudste sporen van mensen in het huidige grondgebied van de gemeente Rotterdam dateren uit de oude-steentijd en vooral middensteentijd (9000-5300 v.Chr.) en werden aangetroffen bij het opspuiten van zand tijdens de aanleg van de Maasvlakte, ten westen van Voorne. Het zijn pijlpunten, lans- en harpoenpunten, gemaakt van been en gewei. In die tijd, vanaf 10.000 v.Chr., liep de laatste ijstijd ten einde en door die smeltende ijskappen steeg de zeespiegel geleidelijk. In West-Nederland ontstonden hierdoor waterrijke gebieden, die een grote aantrekkingskracht hadden op jagers, vissers en voedselverzamelaars. Zij leefden van wat de natuur te bieden had: zoogdieren, vogels, vissen en schelpdieren. Ze verzamelden noten, zaden en planten, plukten vruchten en groeven wortels en knollen op. In tijdelijke, seizoensgebonden kampen bewoonden ze de delta’s – gebieden binnen de vertakkende riviermondingen – en met name de hoger en droger gelegen rivierduinen, ook wel donken genoemd. Die donken werden in de loop der tijd nog door metersdikke lagen veen bedekt, maar bij hele diepe graafwerkzaamheden wordt de kans groter die bewoningssporen tegen te komen. Een dergelijke prehistorische bewoningslaag sneden we bijvoorbeeld zo’n drie jaar geleden aan tijdens ons onderzoek dat voorafging aan de bouw van een tramremise in IJsselmonde. We troffen daar een viertal crematiegraven aan uit de middensteentijd (9000-5300 v.Chr.), met gecremeerd menselijk botmateriaal, maar ook met resten van dieren zoals een oeros en een wildzwijn, die vermoedelijk aan de doden meegegeven waren als voedsel. Andere voorbeelden van dergelijke bewoonde donken hebben we in Hilligersberg aangetroffen en bij grondboringen die we onder het emplacement bij het Centraal Station hebben verricht in het kader van de aanleg van de Randstadrail.’

Midden-steentijd
‘We weten van praktisch elke donk in Rotterdam dat zij al vroeg bewoond waren, vaak reeds vanaf het begin van de middensteentijd. In het vijfde millennium voor Christus maken prehistorische jagers, vissers en voedselverzamelaars in ons land geleidelijk aan kennis met landbouw, veeteelt en aardewerk. De eerste boeren waren in Nederland al in de provincie Limburg omstreeks 5300 v.Chr. verschenen. Ze hadden een vaste woonplaats en bouwden boerderijen, hielden vee en legden akkers aan. Ook maakten ze bandkeramiek, aardewerk versierd met bandvormige motieven. De bewoners in West-Nederland namen pas later dan in Limburg stap voor stap de levenswijze van de boeren over. Hoe dan ook, met deze nieuwe levenswijze begint de nieuwe steentijd (5300-2000 v.Chr.). Behalve op donken zijn de nederzettingsresten uit deze periode in West-Nederland terug te vinden langs de oevers van vroegere rivieren en kreken.’

Bronstijd-ijzertijd
‘We weten ook dat gedurende een deel van de bronstijd (2000-800 v.Chr.) het Maasmondgebied bewoond was. Tot ongeveer 1800 v.Chr. bivakkeerden er nog wel eens mensen op de hoger gelegen donken en oeverwallen. Maar in de loop van deze periode nam die bewoning af, waarschijnlijk door een toenemende vernatting en veengroei in dit gebied. Het gebied verandert steeds meer in een moeras. Vondsten uit de bronstijd zijn hier dan ook zeer zeldzaam; alleen uit het begin van de bronstijd zijn enkele vondsten in IJsselmonde gedaan. Maar in de ijzertijd (800 v.Chr. tot begin jaartelling) ontstaat in het veengebied meer natuurlijke afwatering. In die periode wordt ook het riviertje de Rotte gevormd, waarvan de naam volgens naamkundigen duidt op stilstaand of rottend water. Het gebied wordt weer aantrekkelijker voor bewoning, vooral langs de oevers van dergelijke riviertjes en op andere hogere delen in het moeras. De bewoners zijn boeren die vee houden, vooral runderen, en die lijnzaad en gerst verbouwen. In het Willemsspoortunneltracé hebben we ook heel wat ijzertijdscherven gevonden, die erop wijzen dat hier aan de benedenloop van de Rotte bewoning is geweest, maar boerderijen zijn niet gevonden. Stroomopwaarts bij Terbregge is een nederzetting uit de ijzertijd opgegraven. Vanaf de late Middeleeuwen hebben mensen delen van het veen afgegraven om die als brandstof te benutten. Eventuele sporen uit de ijzertijd kunnen daarbij ook verloren zijn gegaan.’

Romeinen
Dan komen de Romeinen, of beter gezegd, in het jaar 12 voor Christus komt zuidelijk Nederland tot aan de Rijn in Romeinse handen. Deze rivier vormt de noordgrens van het Romeinse Rijk. De Romeinen controleerden die grens onder meer via forten langs de Rijn. Maar ook de monding van de Maas werd bewaakt. De toegang tot die rivier werd waarschijnlijk gecontroleerd door een Romeins fort bij Oostvoorne. Arnold Carmiggelt licht deze tijd in het Rotterdamse toe: ‘Net voor of in het begin van de Romeinse tijd was een deel van de bevolking op het grondgebied van de huidige gemeente Rotterdam weggetrokken en namen nieuwkomers hun woongebied in bezit. Dat waren boeren die op de oevers van riviertjes en kreken en in de aangrenzende klei- en veengebieden hun nering bijeen trachtten te krijgen. Hun landbouwproducten vonden aftrek bij de Romeinen, die zelf niets verbouwden. Om hun landbouwgrond droog te houden groeven ze greppels en sloten en bouwden ze zelfs eenvoudige houten sluisjes. Aan de westkant van de huidige stad, aan de noordzijde van de Nieuwe Maas, werd in het gebied De Kandelaar een grafveld uit de Romeinse tijd met sporen van crematiegraven blootgelegd. Langs het traject van de Willemsspoortunnel, tussen de Spaarbankstraat en de Hoogstraat, werden sporen aangetroffen van huizen en een grafveld uit de Romeinse tijd. Bovendien kwamen aardewerk en sloten uit die periode aan het licht bij opgravingen aan de noordzijde van metrostation Blaak.’ Maar in de tweede helft van de derde eeuw raakt het Maasmondgebied voor een groot deel ontvolkt. ‘De grond was te nat geworden voor de boeren. Bovendien kreeg de boerenbevolking steeds meer last van vijandige invallen, voortvloeiend uit het uiteenvallen van het Romeinse Rijk. Sporen uit die late Romeinse tijd en uit de Middeleeuwen tot de achtste eeuw zijn in Rotterdam dan ook nauwelijks voorhanden. Archeologische vondsten uit de vierde en vijfde eeuw ontbreken zelfs vrijwel geheel. Uit de zesde en zevende eeuw dateren een paar verspoelde vondsten, die wijzen op het bestaan van vroegmiddeleeuwse woonplaatsen langs de Maasoevers.’

Van Rotta naar Rotterdam
‘Vanaf de 8e-9e eeuw komt hier weer bewoning. Langs de kleiige oevers van het veenriviertje de Rotte ontstaat een soort van lintbebouwing, hier en daar opgehoogd op terpjes om droge voeten te behouden. Deze bebouwing ontwikkelt zich tot een nederzetting, de agrarische en handelsnederzetting Rotte of Rotta. In twee archiefstukken uit 1028 resp. 1050 wordt die naam vermeld voor de kerk die hier gelegen heeft, waarschijnlijk op de plaats van de huidige Grote- of Sint Laurenskerk. Waar precies is nog tot dusver onbekend. De resten ervan werden in ieder geval nog niet onder de huidige kerk geïdentificeerd, ook niet toen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog de fundamenten ervan zijn onderzocht. Maar we moeten nog eens uitzoeken of ze daarbij echt diep hebben gekeken, want die middeleeuwse laag bevindt zich zo’n 7-8 meter onder het huidige straatoppervlak. De nederzetting is inmiddels op verscheidene plaatsen in de binnenstad teruggevonden. In die periode worden ook ontginningssloten aangelegd, om de veengebieden te ontwateren. Daardoor daalt tevens het maaiveld, hetgeen overstromingen in de hand werkt. Nederzettingen worden bij grote overstromingen verwoest, waaronder ook Rotta. Vooral medio 12e eeuw doen zich dergelijke rampen voor en archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat enkele daarvan stevige erosies tot gevolg hebben gehad, waardoor oevers werden weggeschuurd en nederzettingsresten in de riviertjes verdwenen. Vrij snel daarna wordt begonnen met het terugwinnen van verloren land, waarbij dijken, dammen en sluizen worden aangelegd.

Een van de alleroudste sluiscomplexen
Rond 1270 worden de dijken van twee polders met elkaar verbonden, door middel van een dam op de plaats waar nu de Hoogstraat de Rotte kruist. Die dam diende om de Rotte af te dammen en werd voorzien van sluizen om de afwatering te kunnen regelen. Een van de alleroudste sluiscomplexen bij deze dam werd bij het Spoortunnelonderzoek blootgelegd. Op deze dam ontstond de nederzetting Rotterdam, die zich in de loop van de 14e eeuw ontwikkelde tot een marktstadje, dat in 1340 stadsrechten krijgt. Vervolgens versteende en verdichtte de stad zich, mede gevolgd door verdere uitbreidingen met als kern twee bewoningsassen langs de Binnenrotte: de Lombardstraat en de Oppert. Al snel ontstond hier bij de dam ook de eerste haven. In de loop van de 16e eeuw kregen de wallen en singels van de stad een driehoekige structuur tussen Coolsingel, Goudsesingel en de Nieuwe Maas. Deze driehoekige structuur zou zich gedurende de navolgende drie eeuwen handhaven, ook al bleef het inwonerstal verder uitgroeien. De overbevolkte stad zou zich pas na 1825 buiten deze driehoek gaan uitbreiden.’

Meer lezen