Een kelder vol koningen

bijzonder faraografIedereen kent het gouden masker van Toetanchamon en iedereen kent de Grote Piramide van Cheops. Het zijn stuk voor stuk iconen, maar wat veel mensen niet weten is dat het Egypte van de farao's nog eindeloos veel meer heeft te bieden. Zoals, bijvoorbeeld, de bijzondere ontdekking van een graf vol farao's.

Het is misschien wel een van de fascinerendste verhalen in de egyptologie, een verhaal dat, zonder overdrijving, rechtstreeks uit een roman of film afkomstig lijkt. We schrijven 1871 en ergens langs de rotskliffen van het beroemde Dal der Koningen loopt ene Ahmed Abd el-Rassoul, woonachtig in de buurt, te zoeken naar een van zijn geiten. Het diertje, zo wil de overlevering, zou zijn verdwaald, een stuk naar beneden gekukeld zelfs, maar gelukkig is el-Rassoul haar snel weer op het spoor. Hij klautert omlaag, met de intentie haar op te halen, maar eenmaal gearriveerd op de plaats waar ze terecht was gekomen, verdween zijn focus op het verloren stuk kleinvee prompt en onverbiddelijk. Wat bleek namelijk: het beestje had hem onbewust naar de ingang van een tot dan toe volstrekt onbekend graf geleid.

Herbegrafenis voor farao's

De tombe in kwestie, zo zou later blijken, was van Pinodjem II, hogepriester rond 1000 v.Chr. Hij lag er echter niet in z'n eentje begraven, want ook zijn familie was van de partij én, verreweg het meest bijzondere van allemaal, een hele zwik opeengestapelde faraomummies. Ontdaan van hun schatten en juwelen, dus niet zoals Toetanchamon badend in weelde, maar afkomstig uit het Nieuwe Rijk, de grootste bloeiperiode in Egyptes geschiedenis, en bestaande uit grote namen als Ramses II en Amenhotep I. Dit waren voor de verandering eens geen beelden of reliëfs van de betreffende koningen, maar de illustere heersers zélf – in létterlijk hoogsteigen persoon. Ooit hadden ze allemaal een eigen graf, vol schatten, maar in de eeuw van de laatste Ramsessen ging het slecht met Egypte en werd de Koningsvallei geteisterd door plunderaars en vernielers. Een groepje priesters kon het uiteindelijk niet meer aanzien en besloot, ergens omstreeks 1000 v.Chr., uit respect voor de oude farao's om in te grijpen. Ze stripten het laatste goud van de koningsmummies (voor wat hoort wat, zou je kunnen zeggen...), zwachtelden hen waar nodig opnieuw in, voorzagen de windselen netjes van namen en rugnummers en herbegroeven de koninklijke heren en dames uiteindelijk in het graf van Pinodjem. Tot aan het geitenbezoek in 1871 konden de oude farao's eindelijk rusten in vrede. 

Kat- en muisspel

Voor Ahmed Abd el-Rassoul was de koninklijke bergplaats niet van archeologisch, maar boven alles van geldelijk belang. Hij en zijn broers namelijk waren, zacht uitgedrukt, geen onbekenden in de grafroversbusiness en met DB320, zoals de tombe tegenwoordig officieel heet, hadden ze een hele, hele vette vis in handen. Ze brachten de objecten uit het graf (vooral papyri, maar ook een van de mummies) mondjesmaat op de lokale oudhedenmarkt, om de prijs kunstmatig hoog te houden, maar de Oudheidkundige Dienst begon op een gegeven moment toch een beetje onraad te ruiken. Er kwamen immers ineens wel heel veel heel mooie spullen in de handel, kóninklijk mooie spullen, en men startte daarop een onderzoek. De broertjes el-Rassoul waren al snel hoofdverdachte, maar in hun huis werd niks geks gevonden en zelfs een hardhandige ondervraging leverde niets op. Men bleef hen echter scherp in de gaten houden en uiteindelijk was het Mohammed Abd el-Rassoul, de oudste broer van de clan, die het wel welletjes vond. Hij stapte naar de Oudheidkundige Dienst en biechtte, in ruil voor onder andere een baantje (voor niets gaat de zon op...), alles op. 

Pijlsnelle leegruiming 

Op 6 juli 1881 was het zover. Gaston Maspero, destijds Egyptes hoogste antiquiteitenchef, was op vakantie in Frankrijk, maar Émile Brugsch, z'n ondergeschikte, was wel aanwezig en samen met wat ambtenaren van de Oudheidkundige Dienst werd hij door Mohammed Abd el-Rassoul richting het inmiddels veelbesproken geheime graf geleid. Eenmaal gearriveerd daalde Brugsch af in de schacht en wurmde hij zich door de krappe donkere gangen, vergezeld van een verbijstering die met elke voetstap groter werd. Hij had de farao's gevonden, de farao's zélf – men kon nu létterlijk in het gezicht gaan kijken van de koningen over wie al zoveel was gezegd en geschreven. Klein probleempje echter was de lokale bevolking in de buurt, want het zou goed kunnen dat zij zich deze rijke grafroversbron niet zomaar zonder slag of stoot gingen laten afpakken, en Brugsch besloot daarom snel over te gaan tot onmiddellijke leegruiming van het graf. Er kwam geen onderzoek, er werden geen foto's gemaakt, geen tekeningen, geen plattegrond en er was geen tijd voor een beetje degelijk inventariseren, wetenschappelijk gezien een aderlating van jewelste, en ook voor de mummies zelf waren het tough hours. Ze gingen vanuit hun koele donkere grafkelder, waar ze bijna 3.000 jaar onafgebroken hadden gelegen, in rap tempo omhoog, het volle licht en de verzengende zon in (preservatie-technisch gezien ronduit rampzalig), en twee dagen later lagen de royals rij aan rij in een stoomboot op weg naar Caïro.

Van saluut naar striptease

Na hun brute ontheiliging en herbegrafenis, in de oudheid zelve, en na hun eerloze herontdekking en evacuatie, door respectievelijk el-Rassoul en Brugsch, volgde op de Nijl een kort intermezzo van respect voor de koningsmummies. Langs de oevers van Egyptes eeuwige rivier namelijk hadden zich hele mensenmenigtes verzameld; nieuwsgierig naar de bijzondere stoet, maar tegelijkertijd ook blijk gevend van heuse rouw. "De vrouwen weenden en rukten hun haren uit", schrijft egyptologe Joyce Tyldesley erover in haar boek over de herontdekking van Egypte, "terwijl de mannen met buksen in de lucht schoten". Eenmaal in Caïro echter was het alweer gedaan met het respect, want de dienstdoende douanebeambte die dag had op zijn invoerpapieren geen hokje voor 'overleden koningen' en classificeerde de oude farao's daarom maar onder het vakje "gedroogde vis"... Een staaltje disrespect waar vervolgens in nota bene het museum nog een schepje bovenop werd gedaan, want in de archeologie van toen golden mummies, zélfs die van koningen, eerder als curiositeit dan als iets werkelijk heel waardevols. De illustere farao's van weleer, waaronder grootheden als Thoetmosis III en Seti I, werden zonder scrupules publiekelijk opengeknipt en uitgepakt en zelfs voor de autopsie van Ramses de Grote, misschien wel de meest vermaarde Egyptische heerser van allemaal, werd niet meer dan een luttel kwartiertje uitgetrokken. Een wat wrang einde van deze fascinerende archeologische geschiedenis, maar ondanks alle ont(b)eringen, en vooral ook dánkzij de priesters van weleer, hebben de farao's het wel overleefd. Eind goed, al goed!

 

Bronnen:

* Joyce Tyldesley, Egypte - het verhaal van een oude beschaving door de ogen van haar ontdekkers, Ambo|Anthos uitgevers, 2006

* Bob Brier, Egyptomania, Palgrave Macmillan, 2013

* Nicholas Reeves, Richard H. Wilkinson, Dal der Koningen - graftomben en schatten van de grootste farao's, Bosch & Keuning, 2000