De vloek van Toetanchamon

Op 4 november 1922 ontdekte de Britse archeoloog Howard Carter de vrijwel ongeschonden tombe van de Egyptische farao Toetanchamon. Enkele maanden na de ontdekking overleed Lord Carnavaron, een Egyptoloog die samen met Carter de tombe had betreden. Een bekend historisch misverstand is dat deze plotselinge dood het gevolg was van de ‘Vloek van Toetanchamon’.

Een ongeschonden graf

De ontdekking van de tombe van de Egyptische farao Toetanchamon (1333 v. Chr. – 1323 v. Chr.) door de Britse archeoloog Howard Carter betekende een doorbraak voor de Egyptologie. In tegenstelling tot vele andere tombes en grafkamers was de rustplaats van Toetanchamon namelijk nog niet geplunderd door grafrovers.

Het overlijden van Lord Carnarvon

Enkele maanden na de ontdekking vonden er echter een aantal vreemde gebeurtenissen plaats. Zo overleed Lord Carnarvon, de Egyptoloog die de expeditie had gefinancierd, op 5 april 1923 onverwachts aan de gevolgen van een muggenbeet. Verder zouden op die dag ook alle lichten in de Egyptische hoofdstad Cairo zijn uitgegaan. Tot slot begon de hond van Carnavaron, die zich op dat moment in Engeland bevond, zo hard te janken dat ook hij uiteindelijk dood neerviel.

De vloek van de Farao

In de media verscheen vervolgens het bericht dat er een inscriptie was gevonden in de tombe van Toetanchamon die luidde “Wie deze heilige grafkamer betreedt, zal door de vleugelen des doods getroffen worden”, een duidelijke verwijzing naar de mug die Carnavaron doodde. Niet veel later werd er ook melding gemaakt van een tweede waarschuwing op een steen bij de ingang van de tombe, waarop stond “Diegenen die mijn naam, mijn fundering, mijn beeltenis schenden, zullen aan de vernietiging worden toevertrouwd.” De vloek leek bevestigd te worden door een aantal mysterieuze sterfgevallen na de dood van Carnavaron. Zo overleden in korte tijd ook zijn twee halfbroers en stierf de Britse financier George Jay Gould I aan een longontsteking, die hij vermoedelijk opgelopen had na een bezoek aan de tombe.

Aandacht voor de vloek groeit

Nadat de vloek van Toetanchamon voor het eerst in de media verscheen kwam er ook steeds meer aandacht voor het mysterieuze verhaal. Zo vertelde antropoloog Henry Field in 1925 over een gemummificeerde armband uit de tombe die Carter cadeau zou hebben gedaan aan zijn vriend Sir. Bruce Ingham. Het sierraad had de inscriptie “Vervloekt zij degene die mijn lichaam verplaatst. Vuur, water en de pest zal hem overkomen.” Enkele maanden nadat Ingham de armband ontvangen had brandde vervolgens zijn huis af, waarna het tijdens de wederopbouw ook overstroomde. Carter zelf geloofde echter niet in de vloek, die hij publiekelijk afdeed als een verzameling ‘leugenachtige bedenksels’.

De vloek van Toetanchamon ontkracht 

Later kreeg hij gelijk, want de inscripties die in de media vermeld werden bleken helemaal niet aanwezig in de tombe van Toetanchamon. Daarnaast was Carnavaron waarschijnlijk niet overleden aan de muggenbeet maar aan een bloedvergiftiging en waren de lichten in Caïro uit vanwege een stroomstoring, een fenomeen wat toen allesbehalve ongebruikelijk was. Verder blijkt uit onderzoek dat slechts 8 van de 58 personen die de tombe toentertijd betraden binnen twaalf jaar kwamen te overlijden, statistisch gezien geen bijzonder hoog aantal. Daarnaast kunnen de sterfgevallen die wel gerelateerd waren aan een bezoek aan de tombe waarschijnlijk verklaard worden door de slechte hygiënische staat van het graf, waar zich de voorgaande drieduizend jaar aardig wat bacteriën en schimmels verzameld hadden.